Feestelijk lettergeknetter; Platenhoesontwerpen van Cor van Velsen en Emmerich Weninger

De cd heeft niet alleen de grammofoonplaat verdrongen, maar ook een toegepaste kunstvorm: het ontwerpen van platenhoezen. In Hilversum is een tentoonstelling te zien van hoesontwerpen die Cor van Velsen en Emmerich Weninger in de jaren vijftig en zestig maakten, voordat de foto de hoezen ging domineren. “Op een of andere manier waren hun ontwerpen net zo speels en grillig als de moderne jazz die ze moesten verkopen.”

Fono Grafiek, hoezenkunst van Cornelius van Velsen en Emmerich Weninger, Nederlands Omroepmuseum, Oude Amersfoortseweg 121-131, Hilversum. T/m 31/3.

Wat is het toch heerlijk een platenhoes in handen te hebben. Zo'n echte hoes bedoel ik, van dertig bij dertig centimeter, waarvan de voorkant met enige smaak de sfeer oproept van de muziek die erin zit, en de achterkant veel informatie bevat die met het blote oog te lezen is. Het liefst is mij nog een hoes die openklapt en aan de binnenzijde eventueel alle songteksten bevat, maar ook een enkelzijdige hoes is al mooi genoeg. Wie, zoals ik, graag iets omhanden heeft tijdens het luisteren, kan er eindeloos naar kijken, tot de teksten gaan spreken en de foto's zingend of spelend tot leven komen.

De hegemonie van de cd heeft niet alleen een eind gemaakt aan het rechtstreekse contact met de schijf die draaiend haar geheimen prijs gaf (je zette zelf de naald erop, je zàg hoe ze draaide), maar ook aan de heerlijkheid van dat bedrukte buitenmodelkarton op schoot. Het plastic doosje geeft een scherp, ietwat rammelend geluid als het wordt opengepeuterd, het nietige schijfje moet met geweld worden bevrijd uit zuignap-achtige klauwtjes van plastic en als er een boekje is bijgeleverd, moet dat er langs vier weerhaakjes uit worden getrokken die hun buit lang niet altijd ongeschonden willen loslaten.

En wat blijft er over als het schijfje eenmaal automatisch is ingeslikt en zich ergens in het binnenste van een onbegrijpelijk apparaat bevindt? Een nietig doosje, met onleesbare letters erop en afstotelijk hard plastic er omheen. Dat vind ik niet iets om lekker vast te houden tijdens het luisteren.

Nog steeds, twaalf jaar na de introductie van de cd, zie je op foto's in de populaire pers hoe moeilijk het artiesten valt te poseren met hun nieuwe plaat. Logisch: ze hebben bijna niets meer in handen. De vroegere elpee, vers van de pers, kon trots aan de fotografen worden gepresenteerd, doorgaans met twee handen op borsthoogte worden vastgehouden. Nu staan ze er wat onbeholpen bij, want hoe hou je een cd vast? Op de foto's is het vaak een onbenullig vierkantje, waarmee zo ongeveer ter hoogte van het rechteroor een beetje onbestemd wordt gezwaaid, of het verdwijnt grotendeels in de knuist van de betrokkene.

Maar er is niets meer aan te doen, we zijn al veel te ver heen, en ik ken zelfs mensen die al hun oude langspeelplaten hebben weggedaan. De cd heeft gewonnen. “De platenhoezen gaan verdwijnen / de industrie nam het besluit / zij waren toch al aan het verkwijnen / nu is het afgelopen... uit!” dichtte de zingende zakenman Johnny Hoes een paar jaar geleden in een relatieboekje van de auteursrechtenorganisatie Buma/Stemra, dat bij wijze van hommage aan de geschiedenis van die hoezen was gewijd.

Philips

Met de hoes is ook de cover art voor het specifieke dertig-bij-dertig-formaat verdwenen. Aan enkele markante voorbeelden daarvan is nu een tentoonstelling gewijd in de fonografische afdeling van het Nederlands Omroepmuseum in Hilversum. Er worden hoezen getoond van twee ontwerpers, die in de jaren vijftig hun mooiste werk maakten: Cor(nelius) van Velsen en Emmerich Weninger. Hun opdrachtgever was Philips' Phonografische Industrie te Baarn. En hun vrijheid was betrekkelijk groot: bij voorkeur werd de belangrijkste naam of titel aan de bovenkant geplaatst (met het oog op het doorkijken van de platenbakken in de winkels) en ergens, liefst rechts bovenaan, moest ook het Philips-logo worden afgedrukt. Bovendien werd bij de destijds gehanteerde boekdruktechniek elke kleur afzonderlijk gedrukt. De gave vierkleurendruk van foto's en schilderijen volgde pas later, na de introductie van de offset-druk. Met zo weinig mogelijk verschillende kleurvlakken moest dus een zo fleurig mogelijk resultaat worden geboekt. Verder konden ze hun gang gaan.

Hun idolen waren de Amerikaanse grafici David Stone Martin, Saul Steinberg en Ben Shahn, zegt de toenmalige PPI-employé Leo Boudewijns, die ook de tentoonstelling samenstelde. Zij tekenden blikvangers in een illustratieve stijl, die de bijzaken wegliet en de hoofdzaken accentueerde met dramatische zwartwit-contrasten, vette contouren en egale kleurvlakken die vaak uitgeknipt of uitgescheurd leken. Zodra er iets feestelijks gemaakt moest worden, leken hun ontwerpen wel te dansen. En op een of andere manier waren ze net zo speels en grillig als de moderne jazz die ze moesten verkopen - of zeg ik dat alleen omdat die associatie mij door hun hoezen is opgedrongen?

Van Velzen was van de twee, denk ik, de uitbundigste. Zijn hoezen doen soms denken aan de affiches van Sandberg, Dick Elffers en Frans Mettes: diezelfde dansante, feestelijke cavalcade van wilde letters en knetterend tegen elkaar geplaatste kleurvlakken. De hoekige saxofoon op de hoezen voor de PPI-compilaties Jazz en This is Jazz no. 1 speelt de hoofdrol; daar omheen zweeft een drumstel met een Picasso-oog, terwijl de pianotoetsen het streepjesmotief op het shirt van de muzikant vormen. Op de plaat Rampart and Vine lijken de drie gezichtsloze muzikanten papieren figuurtjes met elk hun eigen kleur, als opzetpoppetjes die zich destijds ongetwijfeld uitstekend thuis voelden tussen de Ploeg-stoffen en de Tomado-rekjes van de moderne huiskamer.

Weninger was een Oostenrijker, die vóór de oorlog filmaffiches had gemaakt. Zijn meesterstuk lijkt mij de sinistere, in barse streken getekende Mackie Messer op de plaat Lotte Lenya sings Kurt Weill. De belettering is er prachtig bij aangepast: het is alsof hij de beide namen op een muur heeft geklodderd en het woordje sings met een mesje daartussen heeft gekrast.

Met een flowmaster, een voorloper van de viltstift, maakte Emmerich Weninger ook sterke portretten van bestaande kunstenaars, zoals een onverzettelijke kop van dirigent Eduard van Beinum en een veel zachtere prent van diens opvolger Bernard Haitink, die twee dingen tegelijk laat zien: de koppige doorzetter en toch ook de adolescent die nog niet alles zeker weet.

Het zijn eminente voorbeelden van een toegepaste kunstvorm die niet meer bestaat. Toen de kleurendia begin jaren zestig eenmaal vlekkeloos kon worden gereproduceerd, was er volgens Boudewijns “geen houwen meer aan”. Overal moesten voortaan foto's op, en dat konden de ontwerpstudio's van de platenmaatschappij zelf wel. Niet dat er daarna nooit meer een mooie hoes is gemaakt (integendeel), maar die van kunstenaars als Van Velsen en Weninger waren mooier dan mooi.

    • Henk van Gelder