En toch verstrijkt de tijd; Gedachten bij andermans tekst

“Als je Manhattan vandaag van de aardbodem zou lichten, dan groeien er morgen weer bomen en struiken en dan zijn er overmorgen weer indianen.”Je kunt nu eenmaal niet alleen maar dingen denken waar je wat mee opschiet, vindt Koos van Zomeren. Aan een wandje in zijn hoofd prikte hij een fragment uit E.L.Doctorow's roman 'De watervang'. “Telkens als ik er langs kom zie ik het even hangen.”

Hiernaast, hierboven of hieronder - ergens op deze pagina staat een fragment uit een roman van E.L. Doctorow.

Het zijn zijn woorden.

Maar het is mijn ontroering.

Ik heb dit fragment losgerukt uit de context van die roman en ben begonnen het een plaats te geven in mijn eigen context. Ik heb het beeld dat hier wordt opgeroepen met punaises aan een wandje in mijn hoofd bevestigd en telkens als ik er langskom zie ik het even hangen.

Of eigenlijk twéé beelden: het ene van een stad die als een prop kladpapier in de prullenmand wordt gemikt, het andere van een hersteld Arcadië.

Er leven ongetwijfeld mensen in die stad, maar ze worden niet genoemd - om hun lot hoeven we ons niet te bekommeren. Mensen doen hier pas hun intrede als de loop van de tijd is omgelegd.

Andere mensen.

Schrale aanbidders van een gul gevende aarde.

Telkens als mijn oog op deze beelden valt vraag ik mij even iets af. Over Doctorow zelf bij voorbeeld. Heeft hij zelf zijn adem ingehouden? Tranen in zijn ogen gekregen en zijn hoofd geschud? Of heeft hij zich, bijna barstend van een woest inwendig gejuich, in zijn handen gewreven?

Wat trouwens ook mogelijk is: dat hij er zelf nauwelijks erg in had, dat hij maar een beetje zat te talmen, dat hij de ene zin maar aan de andere bleef rijgen omdat het hem moeilijk viel zich los te rukken van het betreffende hoofdstuk.

Die zondag waren we in Arnhem. Het was zonnig en zacht, overal hoorde je het geluid van tevreden boomklevertjes. We liepen door Zypendaal en Sonsbeek en bij de waterval schuifelde een oude vrouw doodsbenauwd, bijna op handen en voeten, over de gladde stenen.

Ik gaf haar een hand.

Je kunt ook zeggen: ze gaf mij een hand.

Natuurlijk was dit gebaar een affront voor de mensen die hadden staan toekijken.

Het waren maar een paar stappen. Ze moest, vertelde die oude vrouw, naar een vijver met eendjes, en inderdaad: in haar andere hand hield ze een zakje met een paar sneden oud brood.

Ik zal niet overdrijven.

Ik zal niet zeggen dat dit nooit eerder bij me was opgekomen.

Maar het frappeerde me wel - het idee dat iedereen de mythe van zijn eigen onmisbaarheid creëert.

's Middags gingen we bij mijn ouders langs. Mijn moeder gaf me een envelop en in die envelop zat geld, veel geld. Sparen is een hobby van haar.

Op de terugweg kwamen we langs het atelier van Jan Miechels. Ik meende zijn auto te zien staan. We reden gauw een blokje om, parkeerden voor de deur en belden aan. Toen hij opendeed was hij stomverbaasd, want hij had me die ochtend nog op de radio gehoord.

Zijn ademhaling klonk onrustbarend en zijn stem leek zwakker dan de vorige keer. Maar hij had ongelooflijk veel nieuw werk staan en daar was nauwelijks iets bij wat je niet zou willen hebben.

Uiteindelijk ruilden we de envelop van mijn moeder voor een mannengestalte in een rotswand. En een ander werkje, twee vrouwen in de vorm van bomen, konden we vervolgens onmogelijk afslaan.

De mensen van Miechels bestaan maar net.

Ze zijn nog maar net uit de materie gevormd.

Of ze zijn net tot de materie weergekeerd.

Jan z'n leeftijd in acht genomen zou je zeggen: dat laatste. In juni wordt hij tachtig.

Goed, we waren op de terugweg. We namen de A12 en ergens in het Westen zei Iris dat het haar toch niet lekker zat. 'Gaan we wel verstandig met ons geld om?'

Maar wat was er nou helemaal gebeurd? We waren die ochtend zonder veel geld van huis gegaan en we kwamen 's avonds zonder veel geld terug. Was dat niet normaal?

(Met 'veel geld' bedoel ik veel geld in relatie tot mijn ouders en onszelf; in relatie tot de schilderkunst was het bijna en envelop zonder inhoud.)

Vorig jaar, half juni ongeveer, kwam ik samen met Wim Schepens terug uit Friesland. Hij is programmamaker bij de VPRO en het was een lange dag geweest; we waren begonnen met de opnamen voor een thema-avond over koeien.

We gingen nog niet zo lang met elkaar om en dan gebruik je zo'n rit, de intimiteit van de auto, voor een verdere verkenning van elkaars levensgeschiedenissen, manieren van denken en gevoelens voor humor. Het gesprek ging soepeltjes heen en weer, het ene bleek eigenlijk voortdurend te kloppen met het andere. Op een gegeven moment vertelde Wim dat hij in het najaar naar Amerika zou gaan voor een documentaire over indianen en dat trof me, dat klopte ook.

Toen kwamen we op het idee een vereniging te stichten voor mensen met dezelfde liefhebberijen. Leden zouden elkaar vinden op basis van een statutair vastgelegde, ononderbroken keten van voorkeuren en interesses.

Over koeien, indianen, poolexpedities, darwinvinken, huisjes in Frankrijk en Fry and Laurie waren we het gauw eens. Maar daarna stierf onze vereniging een voortijdige dood. Volgens Wim had dit alles niets met Mozart te maken.

Moet je nagaan.

Dan waren wij nog maar met z'n tweeën.

Tegen het schuine plafond van mijn kamer hangt een affiche waarop een gathering wordt aangekondigd, van 17 tot 20 juni 1983 op Bear Butte.

Er is een indiaan op afgebeeld in kleermakerszit, mèt pijp en verentooi. Hij behoort tot het volk der Oglala-Lakota's. Aan de hemel boven zijn hoofd volgen een paar bizons de vlucht van een arend.

Ik had dit affiche aangetroffen in een dorp (ik wou hier eerst 'nederzetting' gebruiken, maar dat klinkt zo naar tenten) in de buurt van Wounded Knee, de treurige schouwplaats van de laatste veldslag, december 1890, een schande die voor eeuwig werd vastgelegd in een foto van het bevroren lijk van Big Foot.

Bear Butte, de plaats van samenkomst, bleek een eenzame hoogte te zijn aan de noordoostkant van de Black Hills, South Dakota.

Vaag (bijna net zo vaag als de bizonkoppen in de lucht op dat affiche) herinner ik mij een geasfalteerde parkeerplaats met één enkele camper en een indiaans gezin. Man, vrouw, oma en opgeschoten kinderen. Ze kwamen ver uit het zuiden en hadden hier hun bivak opgeslagen met het oog op de komst van een gerenommeerde medicijnman, iemand wiens naam wel kon worden uitgesproken, maar niet gespeld.

Ik vroeg wanneer die dan verwacht werd, maar dat wisten ze niet.

Ik vroeg of ze die man ooit eerder gezien of gesproken hadden, maar dat hadden ze niet.

Ik vroeg hoe ze dan op de hoogte konden zijn van diens doen en laten, maar dat waren ze niet.

De geest van de voorouders had hun ingegeven om op reis te gaan en in diezelfde geest stonden ze nu te wachten.

Opeens besefte ik dat beide partijen in dit gesprek de werkelijkheid van zich hadden afgeschud - ongeveer zoals een hond het water van zich afschudt na het zwemmen.

Die medicijnman deed er in feite weinig meer toe.

Als hij wegbleef zou dat niets veranderen aan hun geloof.

Als hij kwam zou dat niets veranderen aan mijn ongeloof.

Dát heb ik in 1983 geleerd van de indianen in Amerika.

Destijds heb ik veel over indianen gelezen. Veel daarvan ben ik vergeten - het meeste is me eenvoudigweg nooit meer van pas gekomen.

Maar wat ik heb onthouden is in ieder geval dit: al helemaal in het begin, toen ze nog tot aan de oostkust reikten, waren indianen bezig de bevers uit te roeien. Natuurlijk, daartoe werden ze aangezet door de eerste blanke kolonisten. Ze hadden het kwaad, de pelshandel, dus niet zelf uitgevonden, maar ze waren er tenminste ook niet ongevoelig voor.

Dat was een opluchting.

Dat gaf indianen iets menselijks.

Daarna was het makkelijker je met indianen te identificeren dan daarvoor.

Veel van wat over indianen gezegd of geschreven was stond in een geur van heiligheid en dat zat me in de weg. Want ja, dat er op aarde geen plaats was voor heiligen, dat sprak nogal vanzelf. Maar dat er gewone mensen waren uitgeroeid... verschrikkelijk.

Ik had me voorgenomen dit verder helemaal uit mijn hoofd te doen. Maar er moeten natuurlijk toch weer boeken worden bijgesleept. Was Grote Voet echt al dood toen hij werd gefotografeerd of leefde hij nog een beetje? En dan zit je wat te bladeren en dan kan het haast niet anders of je ogen blijven haken aan bepaalde teksten.

Daar heb je het al. Het nawoord van iemand die Zwart Hert wordt genoemd.

'Ik wist toen nog niet aan hoeveel een einde gekomen was. Als ik nu terugkijk vanaf de hoge heuvel van mijn ouderdom, kan ik de neergemaaide vrouwen en kinderen, die daar opeengehoopt en verspreid langs het bochtige ravijn lagen, nog even duidelijk zien als toen ik hen zag met ogen die nog jong waren. En ik kan zien, dat er nog meer stierf daar, in de met bloed doordrenkte moddersneeuw, en begraven werd in de sneeuwstorm. De droom van een volk stierf daar. Het was een prachtige droom... De band van de natie is gebroken en uiteengevallen. Er is geen middelpunt meer, en de gewijde boom is dood.'

Tot zover.

Stel je voor: de poëzie die de wereld zou missen als al die indianen niet waren uitgeroeid.

In de krant stond een artikel over de traditionele geheimzinnigheid rond de gezondheidstoestand van staatshoofden en regeringsleiders. Er stonden foto's bij en op één daarvan zag je het bordes aan het Rode Plein in Moskou met Tsjernjenko (links) en Gromyko (rechts). De eerste is een blauwe maandag president geweest, de tweede ongeveer een eeuw minister van buitenlandse zaken. Van de Sovjet-Unie.

Mijn blik hoeft zo'n foto maar aan te raken of er gaat een vreemde gedachte door me heen. Ik heb die gedachte vaak en je kunt er helemaal niets mee.

Ik denk: die denken nog steeds dat de Sovjet-Unie bestáát.

Ik weet dat ze dood zijn.

Maar daarom juist.

Daarom zullen ze nooit beter weten.

En als dat voor die twee geldt, geldt dat natuurlijk voor iedereen: bij elk sterfgeval komt er een complete wereld tot stilstand.

Ook als er een hond doodgaat?

Of een huismus?

Of een bladluis?

Zoals gezegd: je kunt er helemaal niets mee.

Maar je kunt nu eenmaal niet alleen maar dingen denken waar je wat mee opschiet.

Het toernooi in Melbourne is inmiddels gevorderd tot de derde ronde. Richard Krajicek ligt er weer eens uit en deze keer kan hij er werkelijk niets aan doen: rugblessure. Maar zelfs bij overwinningen maakte deze jongen een troosteloze indruk. Als je plezier wilt hebben in je leven, kun je maar beter geen fan worden van Richard Krajicek.

Kristie Boogert heeft ook verloren. Mooi lijf, mooie benen. Bij het serveren bewaart ze de tweede bal in een clip op haar heup, ónder haar rokje. Dus dat tilt ze even op als ze die nodig heeft. Dat gebaar, die glimp van een onderbroekje, buitengewoon aardig.

Dan dwalen mijn gedachten af - ze verschuiven van wat ik zie naar het beschrijven van wat ik zie. Vermoedelijk zou ik in dit verband het begrip 'intimiteit' willen gebruiken, maar ik begrijp zelf niet goed hoe. Dat meisje zit ergens aan de andere kant van de wereld, dit gebeurt nota bene op de televisie.

En opeens herinner ik me twee vrolijke jonge meiden op de Veluwe, studentes uit Wageningen. Ze deden onderzoek rond een kudde runderen van Natuurmonumenten, de een naar het loeien van stieren, de ander naar het zooggedrag van kalveren. Dat kon best eens van pas komen voor die thema-avond over koeien.

We trokken de hele ochtend met elkaar op en tussen de middag gingen we met z'n allen eten. Maar hoe vrolijk die meiden ook mochten zijn, ze verloren het verschil in leeftijd geen moment uit het oog.

Meneer, zeiden ze.

U, zeiden ze.

In de loop van de middag vonden we een geschikte lokatie voor een interviewtje met die ene, die van het loeien.

“Als de camera draait,” zei ik, “wil je dan alsjeblieft je tegen me zeggen?”

Ze keek me aan en lachte.

“Dan mag je straks weer u tegen me zeggen,” beloofde ik.

Wat ik ook zo wonderlijk vond: we waren op dat moment maar een klein eindje verwijderd van de plek waar ik een paar jaar tevoren mijn eerste boommarters had gezien - vrouwtje met twee jongen.

Op weg naar Leeuwarden, waar ik zou optreden in De Koperen Tuin, nam ik de fantasie van Doctorow nog eens in ogenschouw en toen viel me in dat ik zijn tekst niet erg zorgvuldig had behandeld.

Deze roman speelt in 1871; de indianen waren nog betrekkelijk dichtbij, zelfs in Manhattan.

Strikt genomen staat er alleen maar: als je Manhattan vandaag van de aardbodem zou lichten, dan groeien er morgen weer bomen en struiken, en dan zijn er overmorgen weer indianen.

Wat ik had gelezen was dit: als je op deze plek een paar honderd jaar teruggaat in de tijd, dan zul je eens zien wat een idylle het is geweest.

Ik heb Manhattan automatisch begrepen als het ontstaan van Manhattan; ik heb het plaveisel en vuil van de stad opgevat als een stolsel van eeuwen. Terwijl Doctorow met een geweldige krachtsinspanning de geschiedenis een andere richting probeert te geven, kom ik niet verder dan een flinke stap terug, gevolgd door een onvermijdelijke herhaling. Maar dát is nou juist wat me zo ontroert. De aanblik van die schrale aanbidders van de gul gevende aarde, dat leven zonder geld of blijvende architectuur... Maar het water stroomt nog steeds van hoog naar laag, het leven beweegt zich nog steeds van geboorte naar dood. De zon komt elke morgen op boven zee en daar verschijnen ook, opnieuw en voor het eerst, de masten van een zeilschip uit Europa, en dat schip, nog maar half boven de horizon, dat is in feite Manhattan al.

Over het terugdraaien van de klok gesproken: ik zou best nog eens een partijtje willen voetballen op het plein voor de Talmaschool, ik zou best nog eens een praatje willen maken met mijn grootouders, zowel die in Velp als die op Herwijnen, en ik zou best nog eens op vrijdagavond, de laatste dag van de vakantie, met mijn vorige hond in een weiland in Beieren willen staan, de Alpen aan de ene kant en het uitvloeiende heuvelland aan de andere, luisterend naar het geratel van een treintje in de verte, nu eens gedempt door bossen, dan weer versterkt door de stenige wand van een kloof.

Dat zal iedereen wel hebben.

Maar als je vraagt, zou je je leven over willen doen, dan zeg ik: nee, die prijs is me te hoog. Eén keer lijkt me precies genoeg. En je moet ook rekening houden met anderen. Neem die arme Bello. Die zou vast ook nog weleens op vrijdagavond in een weiland in Beieren willen staan, maar het lijkt me sterk dat hij bereid is om vervolgens weer dood te gaan.

Nee, ik ben eigenlijk wel lekker op weg naar de heuvel van mijn ouderdom en ik hoop zo links en rechts nog wat dingen te doen waarop ik straks met verlangen kan terugzien.

Oké, ik moet naar Leeuwarden. Ik geef Iris een kus. Ik beloof dat ik voorzichtig zal rijden en dat ik om één uur thuis zal zijn. Ik bedoel: dit is geen Italiaanse opera, ons 'addio' behoeft geen dramatische orkestratie. Voor dagelijks gebruik is dit ruim voldoende, een bevredigend afscheid. We kunnen met een gerust hart uit elkaar gaan.

Nu geef ik de hond een aai. Ik herhaal de beloften van zoëven. Maar de hond heeft daar niks aan. Een goed afscheid vereist een wederzijds begrip voor de noodzaak ervan en zoveel inzicht kun je van een hond niet verwachten. Wat hem betreft kun je net zo goed thuisblijven, of nog mooier: de hond meenemen.

Honden zijn beroerde afscheidnemers.

Honden zijn daarentegen ware meesters in de begroeting.

Nu denk ik aan een stel wolven in Alaska, een beetje in de sfeer van Jack London. Hun wegen scheiden zich weleens, maar (behalve in geval van dood natuurlijk) altijd min of meer bij toeval, in ieder geval niet als gevolg van plannen of verplichtingen.

Het afscheid dus terloops, maar bij het weerzien onversneden blijdschap: zo'n vriendelijke wolvegrijns, gelukkig kwispelen, een prettig likje aan de mondhoek.

Afscheidnemen wordt ingegeven door het besef van toekomst.

Begroeten is een gevolgtrekking van het verleden.

Nu denk ik aan Little Big Man, die oude film waarin Dustin Hoffman heen en weer wordt geslingerd tussen de werelden van blanken en indianen. Een paar maal, telkens door bizar toeval geleid, keert hij terug bij zijn aangenomen indiaanse vader. Dan zie je dat oude, blinde gezicht opklaren en dan hoor je die oude stem (niet eens verbaasd, alleen maar dankbaar) met de woorden: 'Mijn zoon! Mijn hart stijgt op als een arend.'

Nu denk ik aan het dorp van mijn vader, de dijk, het pad omlaag, het huisje met een klompenhok, de klink van de deur en een man in de rookstoel naast de kachel - het gezicht en de stem van mijn aangenomen grootvader.

Begroeten staat ontegenzeggelijk dichter bij de natuur dan afscheidnemen.

En toch verstrijkt de tijd.

Uit: E.L. Doctorow, De Watervang, vert. Sjaak Commandeur, Uitg. Anthos.

Sinds die dag heb ik er af en toe van gedroomd...droom ik, in mijn hart een straatrat, er ook nu nog van - dat als het mogelijk zou zijn om dit Manhattan van plaveisel en vuil van de aardbodem te lichten... met al zijn losgescheurde, druipende pijpen en leidingen en tunnels en rails en draden, alles, zoals je een roofje lostrekt van de nieuwgevormde huid eronder - dat er dan zaailingen zouden uitlopen, beekjes zouden opborrelen en struiken en gras de golvende heuvels zouden begroeien... verstrengelde ranken, velden met bessen en bramen... Er zouden eiken zijn om schaduw te bieden tegen de hitte, en witte berken en treurwilgen... en 's winters zou er sneeuw liggen, altijddurend wit, tot die zuiver en glinsterend als bronwater zou afvloeien. Nadat er zo een paar seizoenen waren verstreken, zou de cultuur die zovele industriële jaren stemloos protesterend bedolven had gelegen onder huizenblokken en fabrieken... zich weer verheffen... van de indianen, de schrale vereerders van de gul gevende aarde die leefden zonder geld of blijvende architectuur, laag en dicht bij de grond - jagend, strikken zettend, vissend, hun maïs verbouwend en biddend... altijd biddend in plechtige dankzegging voor hun klare, korte leven in deze rustige wereld.