'De fase van verdringing is voorbij'; Ambassadeur van Oostenrijk spreekt over netelige punten

DEN HAAG, 9 FEBR. Tiroler Alpen, Kurt Waldheim en sinds kort ook Jörg Haider. De scheidende Oostenrijkse ambassadeur, O. (Otto) Maschke (1931), knikt instemmend. Inderdaad, daar denken Nederlanders vaak aan als ze het woord Oostenrijk horen.

In de vier jaar dat Maschke ambassadeur is geweest in Den Haag, hoopt hij aan dat stereotiepe beeld wat te hebben veranderd. “Ik geloof dat de Nederlanders ons zo langzamerhand wel als echte Europese partner zijn gaan zien”, zegt hij aan de vooravond van zijn terugkeer naar Wenen.

Bij de aankomst van de ambassadeur in Den Haag, begin 1992, was Kurt Waldheim nog president. Waldheim was omstreden omdat hij tijdens de Tweede Wereldoorlog verbindingsofficier was van de wegens oorlogsmisdaden terechtgestelde nazi-generaal Lohr. Dat het Oostenrijkse staatshoofd in bijna geen enkel land op bezoek mocht komen, was “beklemmend” voor Maschke.

Een van de eerste dingen die Maschke kreeg te verwerken nadat hij in Den Haag was aangekomen, was dat een Nederlandse school zijn partnerschap met een Oostenrijkse school opzegde. Ze waren erachter gekomen dat Adolf Hitler als achtjarige aan het instituut was onderwezen “Je kunt zeggen: 'dat is belachelijk', maar dat heb ik niet gedaan. Ik sta iedereen toe dat hij gevoelens heeft en met die gevoelens vecht. Voor mij was het reden om iets te ondernemen.”

Oostenrijkse politici hebben nooit erg openlijk over het oorlogsverleden van hun land gesproken, zoals Duitse politici dat deden en doen. Maar die fase van verdringing in Oostenrijk is voorbij, zegt Maschke. “Wij geven nu bereidwillig toe dat wij in de Tweede Wereldoorlog verantwoordelijk zijn geweest voor vreselijke dingen.” Als bewijs voor de nieuwe houding noemt hij de herdenkingstentoonstelling die door Oostenrijk werd georganiseerd in het voormalige concentratiekamp Westerbork en de bijeenkomst in Haarlem van Nederlandse en Oostenrijkse verzetsstrijders vorig jaar.

Waarom heeft het zo lang heeft geduurd voordat gepraat kon worden over de Oostenrijkse verantwoordelijkheid tijdens de Tweede Wereldoorlog? Maschke moet even nadenken. “Het hangt denk ik samen met het feit dat we na de oorlog nog tien jaar lang bezet zijn geweest door de geallieerden. We hebben hard voor onze onafhankelijkheid moeten vechten”, zegt hij. “We waren zo met de opbouw bezig dat we niet meer aan het verleden dachten.” Bovendien, zegt hij, zijn Oostenrijkers “pragmatische mensen”: wat geweest is, is geweest. Pas in het herdenkingsjaar 1988, toen het vijftig jaar geleden was dat Oostenrijk werd ingelijfd door Duitsland, kwam het verleden volgens Maschke naar boven.

De 'Anschluss' bij Hitlers Derde Rijk in 1938 verliep niet vrijwillig, maar de meeste Oostenrijkers legden zich er wel min of meer tevreden bij neer en werkten nadien ijverig met de Duitsers samen. Praten over 'schuld' in de oorlog blijft in Oostenrijk gecompliceerd. “Wij hebben onder het Hitler-regime zelf ook veel geleden”, zegt Maschke. “Het oorspronkelijke enthousiasme voor Hitler is bij veel mensen na de Anschluss snel weer verdwenen.” Maschke heeft problemen met het begrip van 'collectieve schuld', zegt hij. “Noem het liever gevoelens van spijt.”

Schuld of geen schuld, Oostenrijkers staan tegenwoordig meer open voor het onderwerp en dat is het belangrijkste, zegt Maschke. Er wordt over geschreven en gepraat en als Jörg Haider (de Oostenrijkse leider van de FPÖ, de grootste rechts-extremistische partij in Europa) zich extreem uitlaat, wordt daar onmiddellijk aanvallend op gereageerd.

Jörg Haider werd na Waldheim het tweede netelige onderwerp. De rechtse populist kreeg met zijn opruiende leuzen van 'eigen volk eerst' bij de Oostenrijkse verkiezingen eind vorig jaar 22 procent van de stemmen. Is er dan toch iets waar van het stereotiepe beeld van de Oostenrijker als ex-nazi die zijn verleden heeft verdrongen? Nee, maar Maschke begrijpt heel goed dat in Nederland de “antennes uitstaan” voor het succes van Haider. Het is een vergissing om Oostenrijkers als extremisten te beschouwen, zegt hij. “Wij zijn eigenlijk een conservatief land”, meent hij. “Dát verklaart ook het feit dat wij de neiging hebben om laat te reageren.” Dat de leider van de conservatieve regeringspartij ÖVP, Wolfgang Schüssel, voor de verkiezingen, enkele maanden geleden, de mogelijkheid openhield om met Haider te regeren, was volgens Maschke waarschijnlijk tactiek. “Hij wilde nummer één worden en daartoe heeft hij de middelen aangewend die hij nodig achtte.” Het was volgens Maschke nooit Schüssels bedoeling daadwerkelijk samen met Haider te regeren. Maschke heeft zelf ook een “zeer duidelijk signaal” afgegeven aan Wenen dat het opnemen van Haider in de regering, althans voor de betrekkingen met Nederland, geen goede zaak zou zijn.

Er zijn zoveel overeenkomsten tussen Nederland en Oostenrijk, zegt Maschke. Neem de Nederlandse duinen en de Oostenrijkse bergtoppen. “Dat ongelofelijke gevoel van vrijheid en tegelijkertijd die absolute begrenzing”, mijmert de ambassadeur terwijl hij in de lucht gebaart met zijn handen. Nederland is voor hem ook een beeld, het beeld van de “ongelofelijke verbinding, de harmonie van land, water en hemel.”

Wat niet wegneemt dat hij ook heeft moeten wennen aan de Nederlanders. Aan hun directe manier van spreken en aan het feit dat ze graag adviezen geven. Maar hij vindt dat Oostenrijkers en Nederlanders “tamelijk gelijkgezind' zijn en meer zouden moeten samenwerken. Maschke staat niet vooraan in de rij van Europeanen die kritiek hebben op het Nederlandse drugsbeleid. “Uw drugspolitiek vind ik niet a priori fout”, zegt hij. “Zeker is wel dat als je zo anders bent, je daarover moet spreken. Ik heb tegen minister Sorgdrager gezegd: mischien hebben jullie verzuimd om jullie drugspolitiek goed aan de andere landen uit te leggen.”

Als Volksganzes zijn Oostenrijkers mischien conservatief, de Oostenrijkse politiek is in veel opzichten juist vooruitstrevend, onderstreept Maschke. Neem de verkeerspolitiek. “Samen met Zweden en Zwitserland waren wij het eerste land dat de katalysator invoerde.”

    • Daniela Hooghiemstra