Vroege modefotografie in Nederland; De fraai uitgedoste meiskes van Hans Dukkers

De tentoonstelling 'Les Belles Hollandaises' in het Amsterdams Historisch Museum beslaat de jaren 1950-1970, de creatiefste periode van modefotograaf Hans Dukkers. Het vrij in de ruimte opgehangen overzicht geeft een treffend tijdsbeeld. Voer voor nostalgici.

Les Belles Hollandaises, Amsterdams Historisch Museum, Kalverstraat 92. T/m 7 maart. Inl 020-5231822. Boek: 'Blondies en Beaties, Hans Dukkers 1950-1970', door Pauline Terreehorst. Uitgeverij Voetnoot Amsterdam.

Hij was een volger, zeggen sommigen nu, die zich liet inspireren door Vogue en fotografen als Irving Penn en Cecil Beaton. Maar voor Nederland was het nieuw wat hij deed. In 1947 kocht de 26-jarige badmeester, schoonheidsspecialist en jiu jitsu-leraar Hans Dukkers een camera. Daarmee drong hij sjieke Amsterdamse hotels binnen en maakte opnamen tijdens de modeshows van de jonge generatie couturiers die na de oorlog opkwam. Zo werd Dukkers, autodidact dus, Nederlands eerste professionele modefotograaf. Met een eigen modellenteam werkte hij voor Max Heymans, Dick Holthaus en Ferry Offermans, en publiceerde hij in De Telegraaf, Vrij Nederland, en het Algemeen Handelsblad. In het Amsterdams Historisch Museum is nu een expositie ingericht met werk van Dukkers (die overleed in 1985). 68 foto's werden op basis van fotografische en technische kwaliteit gekozen uit een archief van 160.000 contactafdrukken.

Stijlvolle elegantie is het hoogste goed voor de glimlachende, kokette, pruilende, en ondeugende belles in de jaren vijftig. En hoe uitdagend ook, hun uitstraling blijft steeds zoet, braaf, fatsoenlijk. Het is een tijd waarin in kneuterige modeverslagen melding wordt gemaakt van “fraai uitgedoste meiskes”, “vrouwtjes” en “charmante wezentjes, ondergeschikt aan hun japonnen”. Het volgende decennium ogen de vrouwen al vrijer en eigengereider, en wordt het Engelse fotomodel Jean Shrimpton, die verschillende keren met Dukkers werkte, liefkozend Garnaal genoemd.

Eyeliner, mascara en wenkbrauwpotlood zitten er vet op, en toch zien de modellen er minder gepolijst uit dan in de hedendaagse modefotografie. Een snorretje schemert door, en duidelijk zichtbaar zijn blonde haren op een bruine dij, rozige bloemen op een blank been, zelfs stoppels in een geschoren oksel. Volgens vakgenoot Paul Huf, die als voorzitter van het Austria-instituut de tentoonstelling opende, maakte Dukkers van al zijn modellen klonen. Ze mochten niet te mooi zijn, want dan kon hij er zelf niks meer van maken. Huf, die in zijn toespraak onbekommerd stond op te scheppen dat niet Dukkers maar hij fotomodel 'Puckje' Hendricks van de straat plukte, wil later nog wel kwijt dat Dukkers “kitscheriger” was, en hij zelf als modefotograaf van onder meer Avenue “bronstiger.”

Als het bizar werd, was het omdat ik het er in legde, zou couturier Max Heymans - die op een van Dukkers foto's a la West Side Story aandoenlijk stoer staat te wezen - gezegd hebben. Niettemin blijkt uit deze foto dat Dukkers, die zichzelf graag vrouwen- in plaats van modefotograaf noemde, wel degelijk een goed modefotograaf was. Al staat Heymans prominent op de voorgrond, van de door hem ontworpen jurk is de essentie te zien: de geraffineerd laag uitgesneden rug en de soepele taille die model Lous Hamel alle ruimte geeft om beide armen en een been wijd uit te strekken. Ook de vele hoedenfoto's bewijzen: hoe mooi het model ook was (opgemaakt), de hoed trekt de aandacht. Dukkers opdrachtgevers zullen dat op prijs gesteld hebben.

Positiever is Adriaan Elligens. Intiem, noemt hij de portretten van Dukkers. “Al die vrouwen die mij aankeken tijdens het selecteren. Met Evelyn Orcel heb ik gewoon een fotografische relatie opgebouwd.” Huf had meer allure, meent hij, maar Dukkers was directer, Hollandser en humoristischer. Soms op het flauwe af, soms subtiel; zo zette hij een verleidelijk in het helmgras neergevleide belle in bikini een kuis Zeeuws mutsje op.

Dukkers zelf had overigens weinig pretenties, blijkens een uitspraak in de Haagse Post in 1965. “Wij lachen om jongere collega's, die diep of kunstzinnig doen. Dit is een commercieel vak, dat niets met kunst te maken heeft. Wel met smaak.”

Toch ontwikkelde Dukkers met eigen vondsten een persoonlijke stijl. Zijn sub-leveltechniek - fotograferen van onder een glasplaat - werd beroemd. Op de expositie zijn er twee te zien van model Els Kaptein die in de lucht lijkt te hangen tegen een achtergrond van barok beschilderde plafonds. Aardiger is de foto uit 1967 waar Kaptein in strakke space-look tussen twee torenflats door vliegt. Dukkers experimenteerde meer; in 1968 maakte hij stroboscopische opnamen van Jean Shrimpton, die gekleed in een Mondriaan-jurk met een schilderij van Mondriaan door de studio holt.

In het door Pauline Terreehorst geschreven boek Blondies en Beauties - een slecht gekozen titel, want Dukkers had een voorkeur voor brunettes - zijn meer van Dukkers vondsten en verrassende foto's te vinden, zoals bijvoorbeeld die van een model met haar hoofd in een gouden kooitje, donsveren in het haar. Op de selectie in het Museum valt wel wat af te dingen. Te veel foto's ademen een lievige-Libelle sfeer, en de pin-upperige exemplaren zijn soms plat. Ook het acteertalent van de mooie Hollandsen is niet altijd even groot; voor belangrijke opdrachten haalde Dukkers dan ook Parisiennes naar Amsterdam.

Maar veel van Dukkers werk oogt aangenaam, lèkker. Misschien komt het door de indirecte lichtval - Dukkers werkte meestal met witte lappen voor zachte schaduwen - en zijn oog voor grafische lijnen. Vooral bij de hoedenfoto's weet hij steeds de karakteristieke vorm, geschulpt, of bol, of compact, te laten corresponderen met houding en uitdrukking van het model. Zo corresponderen de gebogen handen met de vlinderlijn van een stoelleuning, en met de golflijn in de eyeliner-ogen en wenkbrauwbogen van Evelyn Orcel. Fout. In vinnig handschrift is haar naam doorgestreept en vervangen door Rik de Nijs. Hetzelfde is gebeurd bij de opname van Nada van Veen, waarschijnlijk door De Nijs zelf, die op de opening aanwezig was. Maar de vergissing is begrijpelijk; ze lijken erg op elkaar.

    • Edith Schoots