Universiteit moet flexibel studiepad bieden

Vergroting van de computer literacy, van technische vaardigheden en meer gerichtheid op de exacte vakken zijn om redenen van de kennis-infrastructuur van ons land nauwelijks omstreden doelstellingen. Uit bijgaande grafiek blijkt echter dat aan de universiteiten de instroom van bèta-studenten al decennia lang afkalft. Was de instroom in alle natuurwetenschappelijke en technische opleidingen in 1970 nog 27.5 procent van de totale instroom in het wetenschappelijke onderwijs, in 1995 is deze gedaald tot ruim 23 procent. Deze relatieve daling treft met name de klassieke bèta-vakken zoals scheikunde en natuurkunde.

Eerder is op deze plaats een pleidooi gehouden om de opleidingen op de technische universiteiten aantrekkelijker te maken (NRC HANDELSBLAD, 11 december). Evenals de voorlichtingscampagnes 'Kies exact' van het ministerie gaat zo'n antwoord aan de oorzaken van het gesignaleerde probleem voorbij.

Wat maakt de bèta-opleidingen onaantrekkelijk? Desgevraagd geven middelbare scholieren daar een feilloos antwoord op. Op het VWO neemt het aantal bèta-pakketten niet af, maar de in bèta-vakken geïnteresseerde student weet inmiddels dat de grote vraagstukken van 'technologie en economie' en van 'milieu en maatschappij' interdisciplinaire uitdagingen zijn. Door voor een bèta-opleiding te kiezen kwalificeert men zich niet voor de interessante perspectieven. De eng gedefinieerde bèta-opleidingen geven zelf het verkeerde signaal.

Al lang geleden heeft C.P. Snow het idee van two cultures geïntroduceerd: de talige gemeenschap van geesteswetenschappers en sociale wetenschappers enerzijds en de exacte communicatie tussen bèta's anderzijds. Door de informatie-revolutie zijn deze scheidslijnen achterhaald: de computer brengt bèta-denkwijzen binnen in de alfa- en gamma-wetenschappen.

Het universitaire onderwijsinstituut is echter niet meegegroeid. De opleidingen zijn verkokerd. Daarin worden ze gesteund door een kortzichtig overheidsbeleid dat gericht is op rendements-verhoging (uitstroom/instroom) en beperking van de studiefinanciering. De universiteiten spenderen onderwijl grote sommen geld om elkaar te beconcurreren voor het binnenhalen van de laatste bèta's.

Inmiddels is de dictatuur van de boekhouders zelfs doorgedrongen tot en met het niveau van de dissertaties: de onlangs ingevoerde promotie-bursaal moet zich contractueel vastleggen om niet bij een andere universiteit te promoveren. Ook als dit intellectueel beter zou zijn en alle nationaal gedefinieerde onderzoeksscholen ten spijt!

Onder de bezuigingsdruk hebben alle faculteiten en opleidingen zich op 'kerntaken' moeten concentreren. Deze ontwikkeling is voor het bèta-instituut funest: onderdelen 'wetenschap en samenleving', wijsgerige reflectie, en dergelijke worden als luxe uit de programma's geschrapt. Elk studiepuntje buiten de deur moet worden afgerekend. De computer wordt zo indienst gesteld van de bureaucratie in plaats van de onderwijsvernieuwing.

Het onvermogen van de universiteitsbesturen om leiding te geven aan vernieuwingsprocessen wordt verhuld in klaagzangen over vermeend democratische besluitvorming. Het probleem ligt niet daar, maar bij het gebrek aan visie en inspiratie van de professionele bestuurders.

Wat zou er dan moeten gebeuren? Het is duidelijk dat de rigide opleidingsstructuren van de Wet op het Hoger Onderwijs en de Wetenschapsbeoefening (1992) de richtingaanwijzers in de verkeerde richting hebben gezet. De student van vandaag is geen typische bèta en geen typische alfa. Goede studenten combineren twee studies met een baantje, hoewel de overheid dat liever niet heeft.

Kortom, er is behoefte aan flexibele studiepaden met variabele studieduren. De aansluitingen bij de arbeidsmarkt (uitstroom) en bij het VWO (instroom) zijn veel belangrijker dan vroeger. Aan de instroom-kant is uit onderzoek bekend dat een derde van de studenten na een jaar zijn studiekeuze betreurt. Het specialisatie-punt ligt in het Nederlandse hoger onderwijs dus veel te vroeg.

Het is op basis van voorlichting vrijwel niet uit te maken of men pedagogiek of ontwikkelingspsychologie moet gaan studeren. Toch moet die keuze voor de aanvang van de studie worden gemaakt. De vaagheid van de onderscheidingen tussen bijvoorbeeld biochemie en moleculaire biologie rechtvaardigt op geen enkele wijze de specifieke keuze voor scheikunde of biologie door een achttienjarige.

We weten ook dat scholieren die na de middelbare school een jaar naar Amerika gaan, vaak met heel andere studiekeuzes terugkomen dan die waarmee ze ware vertrokken. Kortom, we zouden moeten opschuiven in de richting van het Amerikaanse undergraduate-model met zijn liberal arts-studies. Maar dat vereist organisatie van studieprogramma's over de faculteiten heen. In het begin van het eerste jaar zouden er kennismakingsprogramma's moeten zijn die gericht keuzeprocessen ondersteunen. De bèta/gamma-propedeuse die de Universiteit van Amsterdam volgend jaar start, is een poging in die richting.

Hoewel de steun voor dit type voorstellen onder actieve wetenschappers groot is, ketsen vernieuwingen op de raakvlakken af op de eis tot 'kwaliteitshandhaving' van de opleidingen in de afzonderlijke disciplines. Kwaliteit wordt voor dat doel eerst op 19de eeuwse wijze gedefinieerd. Dat de grenzen tussen allerlei disciplines al lang inhoudelijk en technisch achterhaald zijn, is in het universitaire instituut aan de onderzoekskant wel doorgedrongen omdat men geld moet binnenhalen. Maar aan de onderwijskant is het aanpassen van leerdoelen na de invoering van de vierjarige studieduur (rond 1982) tot stilstand gekomen. De management-problemen eisen alle aandacht op.

Desondanks kunnen we constateren dat nauwelijks enige wetenschappelijke opleiding een kern-curriculum heeft dat meer dan 2,5 tot 3 jaar omvat. Er is dus wel degelijk ruimte voor flexibilisering aan de onderkant en de bovenkant van het programma. Natuurlijk zijn er (gelukkig veel!) studenten die zich verder willen specialiseren. Er is er ook flink aantal studenten dat tijdens de studie, bijvoorbeeld na drie jaar, tot de conclusie komt dat het laatste jaar studie-financiering beter besteed zou kunnen worden aan een minor in een ander vak of bijvoorbeeld aan wijsgerige reflectie op de fundamenten van het vakgebied.

Waarom zou iemand met 60 procent natuurkunde en 40 procent economie niet een goed pakket hebben? Meestal wordt daarbij gedacht aan maatschappelijke functies, maar dat is onterecht. Ook in de wetenschapsgebieden lopen de scheidslijnen niet meer zo eenduidig. Iemand met een combinatie natuurkunde en economie kan bij milieu-wetenschappen prima terecht voor een promotie.

Specialisatie betekent vandaag de dag het maken van specifieke combinaties van kwaliteiten. Een Amerikaans onderzoek spreekt in dit verband zelfs van “golden collar workers”. De angst bij de bestuurders is dat de politici als bokken op de haverkist zullen springen, als ze horen dat academische studies ook wel in drie jaar kunnen. Maar ik houd hier geen pleidooi voor verdere studieduur-verkorting. Ik pleit voor een optimaal gebruik van wat een brede universiteit specifiekte bieden heeft, namelijk combinaties van kennis en opleidingsmogelijkheden binnen de macro-financiële randvoorwaarden. Faculteiten zouden over en weer minor-programma's voor gevorderde studenten kunnen aanbieden. Uit het internationale onderwijs weten we dat met Master's studenten heel goede resultaten zijn te behalen in verkorte programma's. Omdat er in Nederland nu eenmaal niet zo makkelijk radicaal iets wordt afgeschaft, zullen de gevestigde propedeuse-programma's nog wel een tijdje blijven bestaan.

Daarnaast is er ruimte voor nieuwe instroom-profielen. Over de opleidingen heen zou een bèta/gamma-onderwijsschool kunnen worden vorm gegeven. Interfacultaire opleidingen en bovenbouw-studies kunnen hier naast smaller gerichte vervolgtrajecten gedijen. Aan de bovenkant van de studies zou differentiatie tot stand kunnen worden gebracht tussen degenen die verder willen in het 'smalle' traject en degenen die 'breed' willen uitstromen. Afgestudeerden met maatschappelijke posities zouden kunnen worden betrokken bij de vormgeving van uitstroom-profielen.

De wisselwerking tussen de verschillende universitaire vakgebieden maakt dit soort onderwijsvernieuwing ook intellectueel tot een uitdaging. Wat moet men studenten uit een andere studie in één jaar leren om van een zinvolle kwalificatie te kunnen spreken en hoe realiseren we dat? Welke wiskunde moet in het eerste trimester van een geïntegreerde bèta/gamma-propedeuse worden behandeld en waarom?

Als gunstig neven-effect van dergelijke onderwijsontwikkelingen aan de universiteit kan de samenleving profiteren van een verhoging van het technisch kennisgehalte van de afgeleverde academici. Maar de grootste winst ligt hopelijk in de toegenomen flexibiliteit, de ruimte voor experimenten en de vergroting van de aandacht voor de mogelijkheden van de individuele student.

    • Loet Leydesdorff