Olympisch Stadion is behoud waard

Het behoud van het Olympisch Stadion is gelukkig nog steeds in discussie. Voorstanders van sloop, zoals de gemeente Amsterdam en het stadsdeel Zuid doen het voorkomen of de zaak eenvoudig kan worden afgedaan. In hun ogen zijn voorstanders van behoud van het stadion nostalgische zeurders onder wie grijsaards die de Spelen van 1928 nog hebben meegemaakt, romantici die Chris Berger en Fanny Koen de honderd meter hebben zien rennen en de vliegende sprint van Arie van Vliet en Jan Derksen nog op het netvlies bewaren.

Maar voor behoud en renovatie van het stadion zijn wel degelijk overtuigende argumenten aan te voeren. In de eerste plaats vervult het gebouw van architect Jan Wils een belangrijke rol als afsluiting van Berlage's schepping van Plan-Zuid. Als het beton, dat bijna tien jaar na de bouw van 1928 werd aangebracht om een groter aantal toeschouwers zitplaats te verschaffen, is verwijderd, zal de Amsterdamse schoolstijl weer tot zijn recht komen en zal het historische gebouw weer volledig passen bij de architectuur die er al is.

Zij die de stadionarchitectuur binnen dit stuk Amsterdamse stedenbouw niet noemenswaard van belang achten, doen er verstandig aan kennis te nemen van de wijze waarop hedendaagse Indonesische architecten en stedenbouwers op Java hun uiterste best doen om bouwwerken van Nederlandse vakgenoten uit de jaren twintig, dertig, die onverwoestbaar in het straatbeeld van steden als Jakarta, Bandung, Semarang, Surakarta en Surabaja aanwezig zijn en nog steeds functioneren te beheren en voor de toekomst te behouden.

In aansluiting op de stedenbouwkundige en architectonische overwegingen is het nuttig er op te wijzen dat de plek rond het Olympisch Stadion in verkeerskundig opzicht van betekenis is als een van de invalspoorten tot de stad. De noodzakelijke parkeervoorzieningen voor de stadionbezoekers, ondergronds of in een transferium, bieden tevens bezoekers aan de stad een goede mogelijkheid om van daar met openbaar vervoer de tocht naar het stadscentrum te vervolgen.

Het behoud van deze publieke verkeersfunctie sluit uitstekend aan bij het plan van het comité tot behoud van het Olympisch Stadion. Dit behelst het benutten van het stadion als nationaal atletiekcentrum en voor andere sportieve activiteiten. Terzijde van het complex en aan de Stadiongracht ligt er het voorstel voor tenminste vierhonderd woningen en enkele bedrijven.

Wat de bestuurlijke kant van de zaak betreft moeten we helaas vaststellen dat het optreden van de stedelijke overheid en van de deelraad Zuid inzake het Olympisch Stadion geen schoonheidsprijs heeft verdiend. Van geen van beide zijden heeft men gekeken of behoud mogelijk was. Sterker nog, men heeft zich in strijd met de Monumentenwet - in 1992 werd het historische gebouw definitief aangewezen als rijksmonument - in onderhandelingen met projectontwikkelaars verplicht zich - nota bene tot het uiterste - er voor in te spannen om de sloop van het stadion zo spoedig mogelijk doch uiterlijk 1 juli 1996 te doen plaatsvinden. Volgens het hoofd van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg (regio West), T. Visser, hebben gemeente en stadsdeel 'onzorgvuldig bestuur' gepleegd.

Het is goed er nog eens aan te herinneren dat de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 14 november 1995 het besluit van het dagelijks bestuur van Amsterdam-Zuid tot verlening van een vergunning voor de sloop van het Olympisch Stadion heeft vernietigd als strijdig met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

Ook op een ander punt ligt het deelraadbestuur nog steeds dwars door te weigeren het tijdelijk erfpachtcontract in een voortdurend recht van erfpacht om te zetten. Nog gekker is dat Gedeputeerde Staten, die moeten beslissen over de eventuele wijziging van het bestemmingsplan, op eigen briefpapier moesten vernemen dat zij volgens ambtenaren van gemeente en deelraad al akkoord waren met de sloop van het stadion ten behoeve van woningbouw.

    • Willem F. Heinemeyer