Nieuw Guinea was geen privédomein van Luns

Mythen leiden doorgaans een hardnekkig leven. Neem de toezegging van de VS aan minister Luns in 1958 inzake het Nederlandse beleid ten aanzien van Nieuw Guinea. Volgens Albert E. Kersten is het beter uit te gaan van de feiten dan Luns op basis van de mythe als de zondebok voor het Nieuw-Guineabeleid aan te wijzen.

Sommige mythen in de recente politieke geschiedenis lijken onuitroeibaar. Dat geldt ook voor de mythe van Dulles' notitie over Amerikaanse steun aan Nederland in geval van een Indonesische aanval op Nieuw Guinea van 1 oktober 1958. Heldring refereert in zijn column ('Twee maaltijden in Washington', 9 januari) aan deze toezegging op dit “papiertje” die Dulles na een diner in de ambtswoning van ambassadeur Van Roijen op 1 oktober 1958 (en niet op 7 oktober zoals Heldring stelt) zou hebben geschreven. In overeenstemming met de inhoud van de mythe stelt Heldring dat niemand behalve Luns dat papiertje ooit gezien heeft. Op deze volgens de mythe niet bestaande toezegging zou Luns en, in goed vertrouwen van haar minister van buitenlandse zaken, vervolgens ook de Nederlandse regering bij de besluitvorming in de Nieuw-Guineakwestie van een fictie zijn uitgegaan. Anders gezegd: Luns baseerde zijn beleid op een idée fixe.

Dit verhaal past in het algemeen levende patroon dat het Nederlandse Nieuw-Guineabeleid een persoonlijke vendetta van de zeer conservatieve katholieke diplomaat Joseph Luns tegen Indonesië was. Nu wil ik niet betogen dat Luns niet conservatief was, of dat het Nieuw-Guineabeleid strookte met de internationale dekolonisatiestrevingen. Het is echter een misvatting te stellen dat het beleid inzake Nieuw Guinea het privédomein van de minister van buitenlandse zaken was. Zeker, hij deed in gepassioneerde betrokkenheid bij het uit Indonesische handen houden van dit restant van het koloniale bezit in Zuidoost-Azië niet onder voor andere KVP- of VVD-bewindslieden. Dat alles neemt niet weg dat het beter is de feiten te hanteren in beschouwingen dan op basis van deze mythe Luns als de zondebok voor het Nieuw-Guineabeleid aan te wijzen.

Wat is dan de ware toedracht rond het diner op de Nederlandse ambassade op 1 oktober 1958? Het gesprek tussen Dulles en Luns in Van Roijens werkkamer op 1 oktober was de voortzetting van twee gesprekken van 18 september en 1 oktober. Bezorgd over Amerikaanse wapenleveranties aan Indonesië had Luns aangedrongen op een Amerikaanse verklaring over de onaanvaardbaarheid van geweld ter wijziging van de status quo van Nieuw Guinea. Volgens Dulles was het overleg binnen het State Department over zo'n verklaring nog niet afgerond. Hij was echter wel bereid ter plekke aan de hand van een Nederlands ontwerp een conceptverklaring op papier te zetten: dit is dus het beroemde 'papiertje'. Het is aannemelijk dat Dulles het bij zijn vertrek meegenomen heeft om met zijn ambtenaren te bespreken.

Daarmee is het verhaal echter niet af. Ambassadeur Van Roijen werd enkele dagen later naar het State Department geroepen. Dulles overhandigde hem een brief voor Luns. Daarin bevestigde hij Luns een verklaring over de Amerikaanse positie in geval van gebruik van geweld door Indonesië tegen Nieuw Guinea te hebben toegezegd. Bij de brief was een geaccordeerde weergave gevoegd van de gesprekken tussen Luns en Dulles. Dulles had er geen bezwaar tegen wanneer Luns de draft statement in zijn geheel openbaar maakte. Daarin verklaarde Dulles dat uit het Amerikaanse beleid was gebleken dat Washington in geweld geen middel zag om territoriale veranderingen tot stand te brengen “and that the United States considers that this policy is applicable equally to the Taiwan Straits issue and to comparable issues in other parts of the world, including West New Guinea”. De verklaring eindigde met Dulles' opinie dat hij op grond van verklaringen van de Indonesische leiders niet verwachtte dat Indonesië geweld zou gebruiken.

Van Roijen vroeg Dulles na lezing van diens voor Luns bestemde brief wat de Amerikaanse regering zou doen als Indonesië toch geweld zou gebruiken. Van Roijen noteerde als Dulles' antwoord: “We are not in a position to make advance statements. I expect that if that occurs, we would give you logistical support and find other ways to help you. You could count on the same patterns as we have shown in other parts of the world. We acted as you know very vigorously in Lebanon and in the Formosa Straits.” In tegenstelling tot Libanon en Formosa had de Amerikaanse regering nog geen gelegenheid gehad haar standpunt over Nieuw Guinea duidelijk te maken. In dat opzicht verkeerde Nederland inzake Nieuw Guinea in dezelfde positie als Israel, dat ook in verband met mogelijke agressie Amerikaanse toezeggingen had gevraagd en niet gekregen.

Dit 'Draft Statement' en de mondelinge toelichting van Dulles was volgens Van Roijen het maximum wat in deze omstandigheden kon worden bereikt. Om te voorkomen dat Dulles zich zou bedenken, besloot Luns, die inmiddels naar New York was teruggekeerd voor de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, de verklaring in het openbaar af te leggen en haar als perscommuniqué te publiceren.

Interpreteerde Luns de Amerikaanse weergave van zijn gesprekken met Dulles in de verklaring vervolgens te ruim? Na zijn terugkeer in Nederland verklaarde hij op 31 oktober 1958 in de ministerraad dat zijns inziens de Verenigde Staten in het Nieuw-Guineaconflict hun neutrale positie zouden continueren en zich zouden verzetten tegen gebruik van geweld door Indonesië.

Heldring heeft dus gelijk met het 'papiertje' van Dulles. Hij slaat echter de plank mis, wanneer hij aan dit verdwenen document conclusies verbindt inzake het door Luns gevoerde Nieuw-Guineabeleid. Er is beslist geen sprake van een door Luns uitgevonden, oncontroleerbare Amerikaanse toezegging. De door het State Department opgestelde en door Luns afgelegde verklaring schonk klare wijn en was voor iedereen controleerbaar: voor de regering, voor het parlement, voor de pers of wie dan ook. Zij is door Washington nooit herroepen.

Dulles deed toezeggingen. Geen harde in de zin van inzet van Amerikaanse strijdkrachten. De voorbeelden die hij gebruikte om de plaats van Nieuw Guinea in het Amerikaanse beleid aan te geven - Libanon en Formosa - en diens uitspraak tegenover Luns op 18 september 1958 inzake een dunne verdedigingslijn van het Westen die liep van Japan via Formosa, de Filippijnen en Nieuw Guinea naar Australië, werden door Luns geïnterpreteerd als toezeggingen voor meer dan morele steun. Luns en Dulles hebben elkaar volgens mij zeer goed begrepen. Het door Luns en de Nederlandse regering gevoerde Nieuw-Guineabeleid werd pas problematisch bij het aantreden van J.F. Kennedy.

Ondanks beschikbare informatie over het tegendeel leiden mythen als die van het 'papiertje' van Dulles/Luns doorgaans een hardnekkig leven. Dat leven wordt bestendigd, doordat relevante informatie en resultaten van historisch-wetenschappelijk onderzoek niet of slechts moeizaam doordringen tot de geïnteresseerden, journalisten en columnisten. Het blijkbaar volstrekt verstopte informatiefilter tussen deze laatsten en de historici over de Indonesische kwestie - beter gezegd: het niet kennis nemen van wetenschappelijke publikaties over de Indonesische kwestie - resulteerde in 1995 in de oproep tot een nationaal debat. Lezing van goede studies als bijvoorbeeld die van P.B.R. de Geus (De Nieuw Guinea kwestie. Aspecten van buitenlands beleid en militaire macht, Leiden 1984) kan helpen deze mythe rond Dulles' toezegging aan Luns in 1958 en mogelijk een oproep tot een nationaal debat over Nieuw-Guinea in de toekomst te voorkomen.