Limburg waterland

Natuurhistorisch Maandblad. Themanummer, gewijd aan de visfauna van Limburg. 85e jaargang (2) 1996. Te bestellen door ƒ 15 over te maken op giro 429851 t.n.v. Publicatiebureau Natuurhistorisch Genootschap, Groenstraat 106, 6074 EL Melick, o.v.v. Vissenspecial.

Zoogdieren, vogels en vlinders zijn tot in detail onderzocht. Maar aan de waterkant houdt het op. Als er al eens iemand het water induikt, zoekt hij meestal kikvorsen of salamanders. Zo ook in Limburg, een provincie die toch een bovengemiddeld aantal natuurliefhebbers telt. Pas in 1991 trok een groepje natuurvorsers de lieslaarzen aan. Sindsdien zijn allerlei verrassende vondsten gedaan. Reden voor het Natuurhistorisch Genootschap in Limburg om haar maandblad geheel aan het visonderzoek te wijden. Het dubbeldikke februarinummer is uitgebracht met steun van het Zuiveringschap Limburg, het Waterschap Roer & Overmaas en het Waterschap Peel & Maasvallei.

De moderne vis heeft geen gemakkelijk leven. Dat blijkt op iedere pagina. In de tweede helft van deze eeuw heeft het landschap grote veranderingen ondergaan, die ook voor de visfauna ingrijpend zijn geweest. Het blad opent met een uitgebreide beschrijving van de visstand in Noord-Limburg. Daar vond men op de westelijke Maasoever tot in de jaren vijftig armoedige, marginale boerderijtjes, omringd door veen, heide en bos. Kronkelende laaglandbeken, ontspringend op de iets hoger gelegen Peelhorst, zochten hun weg door het landschap. Pas nadat het meeste veen was afgegraven kwamen intensieve varkenshouderijen en andere mammoetbedrijven tot ontwikkeling en werd ook de waterhuishouding efficiënt aangepakt. Er zijn kaarsrechte sloten gegraven, beken werden rechtgetrokken om hun water zo snel mogelijk af te voeren naar de Maas. Toen dat tot verdroging bleek te leiden, werden overal stuwen aangebracht en nog later werd de watertoevoer verzekerd door beken aan te sluiten op de peelkanalen. Voor de vissen waren al deze veranderingen nauwelijks bij te benen. Niet alleen kreeg het oorspronkelijke zure, voedselarme beekwater een totaal ander karakter, maar ook raakten hun trekroutes geblokkeerd. Oorspronkelijk zwommen riviervissen vanuit de Maas om in het achterland kuit te schieten. De jonge vis groeide op in de beken en trok dan (bijna) volwassen terug naar de rivier. In de bovenloop van de beken leefden ook typische liefhebbers van snelstromend water, die zelf niet of nauwelijks trokken.

In twee inventarisatieweekeinden met zo'n 20 deelnemers uit het hele land, in oktober en april, werd de Noordlimburgse visstand onderzocht op 140 trajecten, verdeeld over 31 beken. Vijf beken bleken volledig visvrij. Op 34 monsterpunten werd geen enkele vis gevonden, bijvoorbeeld omdat de beek ter plaatse droogstond of bedekt was met een dikke laag drijfmest.

In totaal werden 20 verschillende vissoorten aangetroffen. Niet veel, maar toch altijd nog meer dan gedacht. Alver, karper, paling, rivierdonderpad en zonnebaars waren zeer zeldzaam of ontbraken helemaal. Driedoornige stekelbaars en bermpje, riviergrondel en zeelt bleken tamelijk algemeen. De zeldzaam geworden kleine modderkruiper, die van snelstromende beken met zandrijke bodem houdt, werd op sommige plekken verrassend vaak gezien. Af en toe trof men ook het vetje en de kroeskarper aan, die allebei houden van stilstaande wateren met behoorlijke plantengroei.

De onderzoekers concluderen dat echte riviervissen in de beken nagenoeg ontbreken. Door de vele barrières op hun trekroute krijgen ze geen enkele kans om vanuit de Maas de beken op te zwemmen. In plaats daarvan ziet men nu bijna overal in het gebied dezelfde vissoorten. Het merendeel daarvan is waarschijnlijk aangevoerd vanuit bovenstroomse wateren. Zoals de massaal aanwezige Amerikaanse hondsvis, die in de verzuurde Peelvennen leeft. Uit de inventarisatie blijkt, dat riviervissen zoals Zeeforel, Kopvoorn, Serpeling en Winde wel degelijk de monding van de beken opzwemmen. Zou men de infrastructuur veranderen, dan zouden ze wel verder trekken op zoek naar paaiplaatsen stroomopwaarts. Precies datzelfde geldt voor de Zieversbeek, een snelstromend beekje van het Zuidlimburgse heuvelland nabij Vaals. Hoewel de waterkwaliteit van de Zieversbeek niets te wensen overlaat en ook de bodem een rijke verscheidenheid aan grind- zand- en modderbanken vertoont, worden allerlei vissoorten, die hier thuis horen, er toch niet aangetroffen. De eerste stuw op honderd meter van de monding verspert ze de weg. Toch houdt hier al meer dan 30 jaar een tamelijk geïsoleerde populatie rivierdonderpadden stand. In de directe omgeving komen die nergens meer voor.

Ook de gestippelde alver is terug van weggeweest. Na 1931 was hij niet meer in Zuid-limburg gezien, maar onlangs is hij weer op verschillende plaatsen in de Geul gevangen. Er zwemmen ook jonge dieren bij, een teken dat de vis zich voortplant in de Geul.

Al even verrassend is de opmars van de blauwband. Dat is een exoot, van oorsprong een Oostaziaat, die zich pas sinds kort in ons land heeft gevestigd. Nadat hij in 1960 in Roemenië was geïntroduceerd, vond hij geleidelijk zijn weg via de Donau naar het Limburgse heuvelland. Of de inheemse vissen er nu een nieuwe concurrent bij hebben moet nog blijken. Ook de Blauwneus, een karperachtige, is in opmars. Vorig jaar werd hij al driemaal in ons land gezien. In de Johan Friso Haven in de Nieuwe Maas bij Rotterdam zag men zelfs verschillende blauwneuzen in formatie. Ook deze nieuwkomer heeft zich via de Donau vanuit Oost-Europa naar ons land verspreid. Kenners beschouwen hem als een blijvertje.

    • Marion de Boo