Laten we haar maar een zes geven, ze komt er toch wel

Januari is de maand van de schoolonderzoeken, dus dient de rijksgecommitteerde zich in de piste te begeven. Namens de minister van Onderwijs en Wetenschappen vormt hij zich een oordeel omtrent het niveau van de schoolonderzoeken. Hij vormt zich tevens een oordeel over de relevantie ten opzichte van het arbeidsveld, zo luiden de officiële instructies.

Het wordt de grote stad, waar het slagingspercentage lager is dan het gemiddelde. Als ik het gebouw binnenstap, valt mijn oog op een bordje: 'Zonder pasje geen toegang'.

Ik meld me bij de secretaris van de examencommissie. Hij vertelt over zijn problemen: veel leerlingen staan wel ingeschreven, maar komen niet op school. Ze zijn niet te bereiken en weten dus ook niet wanneer ze hun mondelinge schoolonderzoeken moeten doen. Dan zijn er de zieken, de faalangstigen en de wintersporters die vakantie nemen in de baas zijn tijd. Ik vraag hem naar de aantallen en schrik als hij die noemt.

Vandaag worden er mondelinge examens warenkennis/voeding afgenomen. Het lokaal lijkt wel een uitdragerij: op tafel liggen rollen textiel, groenten, fruit. Er staan allerlei flessen en in een hoek hangen diverse kledingstukken. De docent is een rustige man van middelbare leeftijd. “Zo Astrid, hier is een kistje met fruit. Wil jij even zeggen waar de mango ligt?” Het meisje denkt enige tijd na en wijst dan de kiwi aan. “Foutje bedankt!” roept de leraar, “maar we gaan gewoon door; je kunt niet alles weten.” Daarna vraagt hij over wijn, etikettering en verpakking. Astrid verlaat het lokaal met een opgelucht 'doei!'

“Aardig kind”, bromt de leraar. “Ze heeft geleerd wat ze moet leren. Wat zou u zeggen van een acht?” De bijzitter vindt het goed en ik vind het best. Ik vraag om het protocol. De bijzitter heeft goed werk gedaan: hij heeft precies aangegeven hoeveel vragen de examinator heeft gesteld zodat het vaststellen van een cijfer gemakkelijk is. Astrid heeft zesentwintig vragen moeten beantwoorden in vijftien minuten.

Ik plaats mijn handtekening op het protocol.

Het volgende vak is Duits. In het Middelbaar Middenstands Onderwijs een keuzevak. Als ik binnenkom, verschiet de docent van kleur. Hij is nog jong en neemt voor het eerst mondeling examen af. Hij begint mij omstandig uit te leggen dat hij nog niet erg bedreven is in dit onderdeel van het vak.

De kandidate wordt binnengebracht. Ze is volkomen over haar toeren want ze heeft de tekst die ze moest voorbereiden niet begrepen. Als ze mij ziet, begint ze hartverscheurend te huilen. “So, fangen wir mal an”, probeert de docent, maar Charmaine kan geen woord uitbrengen. Dikke tranen meanderen over haar iets te zwaar opgemaakte wangen.

“Was hast du gelesen?” vraagt hij en de bijzitter noteert iets. Het arme kind weent zich een weg door de vijftien lange minuten, doorspekt haar uithalen met enig flauskesseldeutsch en schuwt elke vorm van oogcontact. Haar handen beven, in haar hals worden de rode vlekken steeds groter. Ten afscheid reikt ze ons een klamme hand en verlaat, nog steeds huilend, het lokaal.

“Charmaine is een goede leerling hoor”, zegt de docent. “Ze haalt in de klas louter achten en negens. Laten we haar maar een zes geven want ze komt er tóch wel.” Tegen zoveel logica kan ik niet op.

Ook hier vraag ik om het protocol. Er staat niet veel op. Ik stel de docent voor om toch maar notitie te maken van Charmaine's geweeklaag en plaats mijn handtekening.

Gecommitteerde zijn is handtekeningen zetten: op protocollen, op lijsten en uiteindelijk op diploma's. Mijn handtekening hangt in heel wat winkels aan de muur.

Na de koffie: Engels. De docente loodst de kandidaat bekwaam door een artikel uit The Sunday Times. Daarna gaat het over zijn toekomst: “What are your plans for the future, Mevlud?” “I want to be an undertaker”, antwoordt Mevlud. “I want to open a shop in the winkelcenter.”

“Undertaker?” vraagt de docente en ze fronst haar wenkbrauwen. “Winkelcenter?” “Yes”, stoomt Mevlud door, “together with my father.”

Praten kan deze kandidaat wel, al zijn de zinnen niet alle welgevormd. De docent beloont hem met een kleine voldoende. “Hij is niet vaak in de les geweest”, zegt ze. “Dat spijbelen is een ramp. Vaak zie je een leerling een maand niet en dan ineens zit-ie er weer vrolijk. Ik durf er soms niets van te zeggen want sommige van die jongens zijn behoorlijk agressief.”

Het laatste vak voor vandaag is Nederlands. De kandidaat heet Faisal en de docente heeft hem mij omschreven als 'een schatje'. Hij oogt als een Arabische prins en moet een produkt presenteren. Maar Faisal is zijn produkt vergeten mee te nemen.

“Wat had je voor produkt?” vraagt de docente.

“Een zijden bloes”, antwoordt Faisal.

“Doe dan maar net of de bloes aan de muur hangt”, helpt de docente hem. “Als u het goed vindt”, haast ze zich aan mij te vragen. Ik denk aan een collega die een keer een examen sport heeft laten beëindigen omdat er geen sportartikelen in het examenlokaal aanwezig waren. Inspectrice erbij, allemaal gedoe. Hard of zacht zijn, dat is steeds de keuze. Ik kijk naar Faisal en kies voor zacht.

Hij schraapt zijn keel en lijkt te beginnen. “Het komt door mijn broer”, legt hij uit, “die heeft die bloes aangetrokken vanmorgen.” “Begin nou maar met je produktpresentatie”, zegt de docente. En daar gaat Faisal. Gloedvol betoogt hij over zijn onzichtbare prachtprodukt. Prijs, kwaliteit, levensduur, imago, alles wordt behandeld. Zes minuten is hij aan het woord.

Daarna moet hij een tekst verklaren. Nee, de uitdrukking 'alle waar naar zijn geld' kent hij niet. Of hij weet hoe de puntjes op de 'e' van het woord 'geëvenaard' heten. Faisal kijkt mij aan met ogen waarmee hij menig meisje moeiteloos zou kunnen laten smelten. “Ik weet het wel hoor meneer!” roept hij. Hij bijt op zijn onderlip en sluit zijn ogen om zich nog beter te kunnen concentreren. Ik kijk intussen naar de wanden van het lokaal. Er hangt een poster met een prachtig gedicht van Ida Gerhardt. Ik denk aan die mooie regel van haar: 'Dit is het huis genaamd de duizend vrezen.'

Op het tafeltje naast mij heeft iemand met een paarse stift geschreven: “Achmed wilt nueken.”

Dan fleurt Faisal ineens op en roept: “Ik weet het weer. Dat noemen ze een trauma!”

    • René Guljé