Egeïsche Zee

Met ongenoegen stelde ik in het hoofdartikel (NRC HANDELSBLAD, 31 januari), een verkeerde benadering vast van de crisis in de Egeïsche Zee. Echter, ook de ongehoorde typering van de Griekse natie in het artikel kan enkel afschuw opwekken. Immers, deze gevaarlijke crisis is te wijten aan de aanspraken van delen van Grieks territorium door Turkije, nota bene met militaire middelen.

Het melden dat beide landen evenveel verantwoordelijkheid dragen voor de crisis, alsmede de voorstelling dat de reden ervan wordt gevormd door de wederzijdse 'aanspraken' op een 'onbewoond rotseiland', leidt de lezers op een verkeerd spoor. De auteur laat de werkelijkheid weg, namelijk dat Turkije zich aanvallend opstelt ten opzichte van Griekenland. Bovendien wordt het feit dat Ankara, in de persoon van de minister van buitenlandse zaken, behalve het Grieks-zijn van de rotseilanden ook dat van andere Egeïsche eilanden in twijfel trekt, niet in consideratie genomen.

Echter, teleurstellender en onbegrijpelijker is het beledigende taalgebruik ten opzichte van de Griekse natie, waarvan de historische continuïteit wordt betwijfeld, haar historisch gerechtvaardigde bestaan in het moderne tijdperk, haar culturele identiteit. De redacteur lijkt een dramatisch slecht geheugen te hebben en een gebrek aan kennis. Hij negeert de beslissende inbreng van mijn land in de strijd voor vrijheid en democratie tijdens de twee wereldoorlogen.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog, toen de West-Europese landen vrijwel zonder weerstand te bieden, werden bezet door de nazi's, hield Griekenland, met grote offers, de Asmogendheden zes maanden tegen. Hierdoor vertraagde het de aanval van de nazi's op de Sovjet-Unie, wat beslissend was voor het verdere verloop van de oorlog.

Verder lijkt de redacteur niet op de hoogte te zijn van de culturele ontwikkelingen van de 20ste eeuw. Hij weet blijkbaar niet dat twee Grieken onderscheiden zijn met de Nobelprijs voor de literatuur, terwijl vele anderen internationaal geroemd worden om hun bijdragen aan de letteren, de kunsten en de wetenschap. Waarschijnlijk weet hij ook niet dat Griekenland een tolerante staat en samenleving is, met grondwettelijk vastgelegde vrijheden, en met een totale afwezigheid van racisme en discriminatie.

Een dergelijke natie kan onmogelijk geleid worden door nationalistische aanspraken. In tegendeel, wat Turkije betreft, heeft mijn land meermalen pogingen gedaan de relatie met zijn buurland te veranderen op basis van gelijkwaardigheid en het internationaal recht. In ieder geval niet op basis van militaire macht en dreigende uitspraken, zoals het toepassen van internationale verdragen als een 'casus belli' beschouwen. Helaas is dat de houding van Turkije, met de recente crisis in de Egeïsche Zee als een laatste voorbeeld.

Desondanks tracht Griekenland Turkije te helpen een democratisch land te worden, door middel van het instellen van de rechtsstaat en de eerbiediging van de mensenrechten. Met dit als doel, hebben we in 1995 ingestemd met de douane-unie van Turkije met de EU.

    • Griekse Ambassade
    • Ch. Orfanidis. Ambassaderaad