De minister of de aanbevelingen

“Vindt u nu dat met uw rapport minister Sorgdrager van elke blaam is gezuiverd”, vroeg een journalist vorige week aan voorzitter Van Traa van de parlementaire enquête-commissie opsporingsmethoden tijdens de persconferentie waar het langverwachte eindrapport werd gepresenteerd. “Welke blaam”, kaatste Van Traa terug. En ja, daar had de journalist even niet van terug.

Al maanden gonst het op de plek in Den Haag waar het altijd gonst: het Binnenhof, de vierkante kilometer waar politici, ambtenaren, journalisten elkaar constant tegen komen. In deze benauwende ruimte die qua akoestiek veel weg heeft van een echoput, wordt een theoretische veronderstelling al snel een vaststaand feit. En zodoende had iedereen het erover dat minister Sorgdrager het moeilijk zou krijgen door het rapport-Van Traa. De kijker die de afgelopen tijd de beelden van de televisie tot zich nam kon ook al nauwelijks tot een andere conclusie komen. De minister hoefde zich maar ergens in het openbaar te vertonen, of er hing al weer een zwerm fotografen en cameramensen om haar heen. En altijd luidde de vraag aan haar: hoe voelt u zich nu? Want Sorgdrager had het moeilijk. Waarom had ze het moeilijk? Omdat iedereen zei dat ze het moeilijk had.

Daarom was voor heel veel mensen het eindrapport van de commissie-Van Traa een anti-climax. Want waar was nu toch de onthoofding van de spreekwoordelijke butler die het allemaal had gedaan? Niets van dat alles. De koppen bleven allemaal op de romp, inclusief die van minister Sorgdrager. Maar hoe ontstaat toch elke keer het idee dat een parlementaire enquête eindigt in een ter dood veroordeling?

De rol van de media hierbij is een interessante. In één van de slotconclusies over de eigen werkzaamheden schrijft de enquête-commissie dat de aanwezigheid van televisiecamera's geen verstorend effect heeft gehad op de openbare verhoren. Dat zal ongetwijfeld zo zijn. De diverse mediatrainers hebben niet voor niets een goede boterham verdiend aan het coachen van ondervragers en ondervraagden. Maar in de beeldvorming over het doel van het onderzoek hebben de media, de televisie in het bijzonder wel degelijk voor een verstorend effect gezorgd.

De huidige televisie die permanent onder schot wordt gehouden door de afstandsbediening, moet het hebben van menselijk drama. Zonder personen die in het geding zijn kan een televisieprogramma het niet meer stellen. Vandaar dat de enquête naar de opsporingsmethoden al gauw de enquête naar Sorgdrager werd. En dat terwijl de aanzet voor de enquête werd gegeven op het moment dat Sorgdrager nog niet eens minister was. Als het kijkglas steeds vol is van Sorgdrager kunnen de overige media niet achterblijven. In de slipstream van de televisie werd dan ook bij grote delen van de rest van de pers de enquête naar het doen en laten van het justitiële opsporingsmethoden verengd tot de vraag hoe het nu verder met Sorgdrager moest. Dat er een verband bestaat tussen de enquête en het politiek functioneren van de minister is buiten kijf. Het gaat om de verhoudingen.

Daarom toch nog maar eens de vraag waar het bij de enquête ook al weer allemaal om was begonnen? De D66'er Dittrich bracht tijdens het Kamerdebat van november 1994 over het instellen van een enquête-commissie het doel waarschijnlijk het best onder woorden toen hij zei dat het om een “wetgevingsenquête” diende te gaan. Dittrich: “Zo'n enquête behoeft niet te worden gezien als een aanval op de regering. Zij heeft ook niet het karakter van een beschuldiging. Het is bij een wetgevingsenquête er veeleer om te doen inzicht te krijgen in een maatschappelijke toestand, zodat de Kamer het eigen werk beter kan doen.”

In die opzet is de commissie-Van Traa uitstekend geslaagd. Twee jaar geleden wilde de Tweede Kamer naar aanleiding van de IRT-affaire weten of er voor het hanteren van opsporingsmethoden heldere en controleerbare toetsingskaders bestonden en of deze in overeenstemming waren met de bestaande wet- en regelgeving. Er waren tot dan toe slechts de onthullingen, verhalen, geruchten en conflicten. Met behulp van de bevindingen van de enquête-commissie kan de Tweede Kamer nu zeer gefundeerd vaststellen dat er bij de opsporing sprake is geweest van een aanzienlijke mate van vrij spel der justitiële krachten. Het volgende dat de Kamer te doen staat is de regelgeving aan te passen. Ook hiervoor heeft de commissie-Van Traa kant en klaar materiaal aangeleverd. Kortom, er is in alle opzichten sprake van een uitstekende wetgevings-enquête.

Maar het valt te betwijfelen of het werkstuk van Van Traa en de zijnen ook als zodanig zal worden behandeld. Steeds zal het element Sorgdrager als een schaduw over alles wat met de enquête te maken heeft, heen hangen. En dan gaat het niet om de vraag of zij als procureur-generaal indertijd nu wel of niet geweten heeft van het doorleveren dan harddrugs. Hoewel het natuurlijk vervelend blijft dat het geheugen haar op belangrijke momenten in de steek laat. Veel problematischer voor haar is dat zij bij het opstellen van nadere regels constant geconfronteerd zal worden met haar eigen verleden bij het opsporingsapparaat. Het openbaar ministerie kan zich zelf niet aan de haren uit het moeras trekken, zei Sorgdrager vorige week. Maar kan iemand als zij, die zelf nog onder de modder zit van dat moeras, dat dan wel?

Daarmee, maar pas op dat moment krijgt de 'wetgevingsenquête' het persoonlijke karakter. Het mag dan subtiel lijken, er is wel degelijk een verschil tussen de enquête zelf en de uitvoering van de aanbevelingen. De vraag of deze minister nu de aangewezen persoon is om de bezem door het apparaat te halen is legitiem. Die vraag dient zich echter niet aan naar aanleiding van de enquête, maar had al voordat tot een enquête besloten werd, gesteld kunnen worden.

In de slotfase van de kabinetsformatie is er bij het hoofdstuk benoemingen blijkbaar toch weer niet goed opgelet. Alle hoofdrolspelers van toen konden weten dat de discussie over de opsporingsmethoden een loodzwaar politiek thema zou worden. Er waren reeds twee ministers gesneuveld, er was het verzoek uit de Kamer om een parlementair onderzoek, de onderhandelaars Kok, Bolkestein en Van Mierlo kenden de geheime IRT-rapporten. Toen Van Mierlo met procureur-generaal Sorgdrager kwam aanzetten als kandidaat voor Justitie had er een lichtje moeten gaan branden. De toen net gepasseerde kwestie-Van Thijn had haarfijn duidelijk gemaakt hoe de vorige functie een minister danig in de weg kan zitten. Minister Van Thijn van Binnenlandse Zaken kon in de IRT-affaire niet los worden gezien van ex-burgemeester Van Thijn. Ditzelfde zal Sorgdrager overkomen. Of zij wordt van die schizofrenie het slachtoffer, of de aanbevelingen van de commissie-Van Traa.

    • Mark Kranenburg