De laatsten der kannibalen

Nieuw-Guinea is een talenparadijs in ontbinding. De taal en cultuur van de Korowai, inlanders die in het moerasoerwoud in boomhuizen leven en kannibalisme bedrijven, zijn juist op tijd beschreven.

Twintig jaar geleden werd Lourens de Vries, toen nog student Nederlands aan de universiteit van Amsterdam, gebeld door Johan Wiegel, zijn oude leraar Grieks uit Groningen. Die zat in het bestuur van de ZGK, de Zending Gereformeerde Kerken, welke organisatie actief was in het oosten van Irian Jaya, het voormalige Nederlands Nieuw-Guinea. “Er zijn daar drie groepen Papoea's met talen waarvan we niets weten”, klonk het door de telefoon. “Ze wonen in boomhuizen en zijn volledig onbekend. We zoeken iemand die voor ons die talen en culturen wil bestuderen. Lijkt je dat wat?”

Het antwoord was ja. De Vries stapte over naar de Vrije Universiteit, waar een unieke veld-linguïstische traditie bestond, en ging Algemene Taalwetenschap studeren. Op het gymnasium was zijn liefde voor dat vak aangewakkerd door de boomdiagrammen die Wiegel op bord zette. In 1980 studeerde De Vries in Amsterdam af en na een cursus Indonesisch bij zijn Groningse mentor - “die man heeft mijn leven bepaald” - reisde hij twee jaar later af naar Indonesië.

Daarmee was De Vries een van de eerste wetenschappers sinds de overdracht van 1962 die toestemming kregen de binnenlanden van Irian Jaya voor veldonderzoek te betreden. Tientallen jaren was studie van dat gebied 'missionarissen-linguïstiek' geweest, omdat de academicus die om een visum vroeg geen antwoord kreeg. De Indonesiërs lieten de zending, die zich bij politieke conflicten altijd neutraal heeft opgesteld, aanvankelijk ongemoeid. Maar daarin is de laatste jaren verandering gekomen: lokale expertise, zo is het beleid, moet die van buitenlanders vervangen en vele zendelingen zagen hun visa niet verlengd.

Junglestrip

Via Jakarta vloog De Vries naar Jayapura, het vroegere Hollandia. De MAF, de Missionary Aviation Fellowship, bracht hem vervolgens naar Boma, onder het Centrale Gebergte aan de rivier de Mappi. Vandaar ging het met een eenmotorige Cessna naar de junglestrip in de moerassen en voetheuvels van Manggelum, aan de bovenloop van de Digul. De Nederlander werd er opgevangen door Canadese zendelingen. In de jaren twintig en dertig was het gebied door de koloniale regering aangewezen als ballingsoord voor nationalisten. De Vries had er zin in. “Het is pure nieuwsgierigheid. Je ziet die boerenkool beneden je en je denkt: wat vertellen die mensen over hun oorsprong, hoe spreken ze elkaar aan, hoe tellen ze? Dat fascineert me enorm.”

Irian Jaya telt zo'n anderhalf miljoen inwoners. Een deel is afkomstig van eilanden uit de buurt, zoals de Molukken. Zij vestigden zich aan de kust en er zitten islam-stammen tussen van ver voor de koloniale tijd. De oorspronkelijke bewoners, met een geschiedenis van tienduizenden jaren, bewonen de binnenlanden. Wat de taal betreft is geen plek op aarde exotischer. Het eiland als geheel telt 1000 talen, waarvan er 250 op de oostelijke helft worden gesproken. Een kwart van die duizend talen is austronesisch: ze zijn verwant aan het Maleis en het Javaans. Net als de indo-europese talen vormen ze één genetische groep, met een onderliggende prototaal waaruit ze allemaal zijn voortgekomen.

Voor de overige 750 Papoea-talen is dat niet het geval. Die vormen een extreem diverse groep, uiteenvallend in 60 aparte families. De Vries: “Dat is het boeiende van Nieuw-Guinea. Je vaart een rivier op, je komt in een dorp waar ze een bepaalde taal spreken, je vaart een stukje verder en in het volgende dorp spreken ze een totaal, maar dan ook werkelijk totaal andere taal.”

De drie talen die de Nederlandse gereformeerde zending De Vries in kaart wilde laten brengen, waren het Wambon, het Kombai en het Korowai. Ze zijn ongeschreven en worden gesproken door stammen van een paar duizend zielen, woonachtig in ontoegankelijk regenwoud direct ten zuiden van de centrale bergketen. Daar, tussen de Eilandenrivier en de Beckingrivier, niet ver van de grens met Papoea Nieuw-Guinea, bevindt zich moerasgebied zó ongezond dat de mensen nauwelijks de 35 jaar halen. Per jaar valt er vijf meter regen en het stikt er van de muskieten. Berucht is de malaria tropica, dodelijk binnen een paar dagen. Veel mensen lijden aan tbc, worminfecties en elefantiasis, gekenmerkt door dikke benen en een gezwollen scrotum. Vanwege de kindersterfte krijgen baby's in hun tweede levensjaar hun naam.

De Korowai bewonen het laatste stukje Irian Jaya dat nog niet is gepacificeerd: nog altijd zijn de Indonesiërs er niet als overheid aanwezig. De Vries: “De Korowai zijn van oudsher underdogs, ecologisch is hun woongebied de achterbuurt van Nieuw-Guinea. Er is geen olie of goud gevonden. De bevolkingsdichtheid bedraagt amper één per vierkante kilometer. Tot in de jaren zestig zijn de Korowai vanuit het westen gekoppensneld door Citak-Asmats, die beschilderd in krijgstooi met prauwen de rivier kwamen afzetten. Dus trokken ze zich steeds verder terug in het moerasoerwoud, ver weg van de rivier, en uit angst bouwden ze boomhuizen tot veertig meter hoog.”

Omdat de veiligheid niet kan worden gegarandeerd, wordt onderzoekers de toegang tot het Korowai-gebied doorgaans ontzegd. Ook de Nederlanders brachten het niet in kaart, in de verwachting dat het Maleis - in de koloniale tijd al in zwang als contacttaal - die plaatselijke taaltjes weldra zou verdringen. Nu de Korowai dankzij een behoedzame politiek van toenadering in toenemende mate bereid zijn in kampongs te gaan wonen, gelegen op hun clangrond, zal hun taal en cultuur als gevolg van onderwijs in Bahasa Indonesia de komende decennia alsnog verdwijnen.

De eerste persoon die dit laatste restje stenen tijdperk betrad was Johan Veldhuizen van de ZGK. In 1978 landde hij per helikopter op een grindbank van de Beckingrivier, wierp bij wijze van geschenk ijzeren bijlen en mancheten naar buiten en toen die de volgende dag bleken weggehaald, wist de Nederlander zich welkom. Veldhuizen, een nuchtere gereformeerde die alles behalve het martelaarschap zocht, stichtte de zendingspost Yaniruma, een kampong met een rijtje huizen, een hospitaal en schooltje. In 1983 arriveerde Henk Venema om Yaniruma te versterken, vier jaar later opgevolgd door Gert van Enk, eveneens van de ZGK en tot nu toe de enige westerling die vloeiend Korowai beheerst. Tot zijn grote frustratie werd zijn visum in 1991 door de Indonesische autoriteiten in het kader van het nieuwe beleid niet verlengd en tegenwoordig is Van Enk gereformeerd predikant in een Gronings gehucht.

De Vries begon zijn onderzoek naar de Korowai in 1989. Eerder dat jaar was hij bij de Amsterdamse hoogleraar Simon Dik, die als linguïst in een vroeg stadium interesse in zijn resultaten had getoond, gepromoveerd op de Wambon en de Kombai. In 1982 naar Irian Jaya vertrokken met een hoofd vol theoretische modellen, verschoof de interesse van De Vries al snel naar de inbedding van de talen van het Wambon, Kombai en Korowai in hun culturen: de antropologische linguïstiek.

In vergelijkende taalwetenschap komt betekenis vaak op de laatste plaats. Alles begint met fonetiek, het vastleggen van klanken uit de mond in het IPA, het internationale fonetische alfabet. Daarbij is de onderzoeker gespitst op bijzonderheden, zoals de positie van de tong, een glottal stop of implosieve klanken waarbij lucht naar binnen wordt gezogen. Dan volgt per woord een CV-patroon van medeklinkers (consonants) en klinkers (vowels) en probeert de onderzoeker uit de ruwe gegevens een begin van een grammatica op te bouwen.

De Vries: “Bij de Korowai begon ik met mensen uit de kampong van wie ik het vertrouwen had gewonnen. Ik nodigde ze bij me thuis en legde met hen losse woordenlijsten van lichaamsdelen en eenvoudige gebruiksvoorwerpen aan. Via deze informanten werd ik in boomhuizen uitgenodigd en met mijn cassetterecorder op zak - wat ik nooit geheim hield - probeerde ik op tournee zoveel mogelijk soorten taalgebruik vast te leggen. Verreweg het mooiste materiaal komt overigens van Gert van Enk. Die heeft prachtige liederen en gedichten opgenomen, en heilige oorsprongverhalen. Het wonderlijke van het Korowai is het contrast tussen de complexiteit van de taal en de materiële eenvoud van de cultuur.”

De excursie naar de boomhuizen waren zwaar - vaak stond De Vries tot zijn knieën in de modder - maar ze leverden een schat aan informatie op. De Korowai handhaven zich door zich diep in het moerasoerwoud terug te trekken en De Vries is ervan overtuigd dat er clans zijn die nooit contact met de buitenwereld hebben gehad. Hoe onveiliger ze zich voelen, hoe hoger de boomhuizen, veertig meter is geen uitzondering. Ze worden in drie weken gebouwd van palmenstammen, lianen en schors, en huisvesten families tot wel zestig personen. De Vries: “Sommige trof ik verlaten aan als gevolg van massale sterfte, door moord of door ziekte. Wie zich door Korowai-gebied verplaatst doet er goed aan dat door yells duidelijk te laten merken. Het gevaar bestaat dat je anders als indringer wordt beschouwd. Als ik mij in het oerwoud terugtrok om even mijn behoefte te doen, zong ik uit volle borst.”

De Korowai zijn een volk van jagers en verzamelaars, met een klein beetje primitieve tuinbouw. Wilde varkens worden gevangen in kuilen en ook de kasuaris, een loopvogel, is een gewilde prooi. De Vries: “Als je intensieve landbouw zou bedrijven, met pinda's of rijst zoals goedbedoelende ontwikkelingswerkers willen, bereik je alleen dat de humuslaag uitspoelt met als resultaat een onvruchtbare bodem. De optimale vorm voor die ecologie is door de Korowai al lang gevonden. Er wordt een paar uur per dag gewerkt, het meest door de vrouw. Die heeft trouwens weinig te vertellen. Ze mag geen oorsprongverhalen aanhoren en neemt niet deel aan de magische rituelen. De mannen vrezen haar menstruatiebloed en bevallingen vinden in eenzaamheid plaats in het oerwoud, met alle leed vandien.”

Vruchtbaarheidsritueel

Een hoogtepunt in het Korowaibestaan is het sagofeest, een vruchtbaarheidsritueel genoemd naar de palm waar alles om draait. Niet alleen wordt de sago gebruikt voor boomhuizen, losgeklopte vezels worden in water gekneed zodat zich meel afscheidt dat in zware klompen bezinkt. Op het vuur gebakken, dienen ze als basisvoedsel. Kevers leggen in een rotte sagopalm eitjes en de sagolarven die dat oplevert zijn een rijke bron van proteïnen en worden rauw gegeten.

Vooral clans die het goed hebben, organiseren sagofeesten. Maar ook in tijden van nood, als saamhorigheid geboden is, komen ze voor. De voorbereiding vergt maanden. Uitgenodigd worden bevriende clans, die op hun beurt andere clans vragen. In een groot bivak, dat voor de gelegenheid wordt gebouwd, komt men samen om magische formules uit te wisselen, huwelijken te voltrekken, allianties te smeden, kwesties bij te leggen - en een enkele keer vliegt men elkaar in de haren.

Zoals bij een sterfgeval. De dood ervaren de Korowai als rituele moord. Behekste mannen zouden op magische wijze iemands vitale organen opeten, zonder sporen achter te laten. Dood geeft woede, iemand heeft het gedaan. Enorme conflicten zijn het gevolg. Zodra iemand overlijdt, rijst de vraag: wie is op verdachte wijze in de buurt geweest? Eenmaal aangewezen, wordt de schuldige gearresteerd, in een boomhuis aan een paal gebonden en onder marteling tot een bekentenis gedwongen. Als straf voor zijn magisch kannibalisme wordt hij met pijl en boog geëxecuteerd, ritueel geslacht en zelf ook opgegeten, waarna de rust weerkeert.

De Vries heeft zo'n heksenproces van nabij meegemaakt. “Uit een laatste murmeling van de overledene hadden ze opgemaakt dat iemand van een naburige clan de dader moest zijn. Toen men die wilde arresteren en op tegenwerking stuitte, vlogen de pijlen onder veel kabaal over en weer, ik zat er precies tussenin. Voor het echt menens werd, ging de tegenpartij onder de druk van de 'bewijslast' om en de dader werd uitgeleverd. De haat, afkeer en angst voor behekste personen bij de Korowai is enorm. Ik heb de man gemarteld zien worden en ook zag ik hem een bekentenis afleggen. Maar de executie, slacht en het opeten heb ik alleen van getuigen. Ergens vertegenwoordig ik toch de nieuwe tijd en de Indonesische overheid.”

Mensenrechten

De Vries is de eerste om toe te geven dat hier mensenrechten geschonden worden, “en niet zo'n klein beetje”, maar tegelijk legt hij zich erbij neer. “In de ogen van de Korowai neemt het recht zijn loop. Wel is me opgevallen dat zwakbegaafden of mannen die frequent vrouwen lastig vallen, aanmerkelijk meer kans lopen als heks te eindigen. Maar met functionele verklaringen is het oppassen, altijd zijn er onverklaarbare gevallen. Alleen wie een band met de heks heeft mag het voor hem opnemen. Niet dat het helpt, behekst is behekst. Ik heb een zendeling meegemaakt die de heks ter bescherming in zijn huis had opgenomen. Maar dat houdt een keer op. Stuur je de man terug, dan wordt hij alsnog te grazen genomen en wegzenden uit het Korowaigebied betekent ontheemding.”

In 1991 liep De Vries zijn dienstverband bij de ZGK af. Inmiddels heeft de linguïst-antropoloog een aanstelling bij het NWO-prioriteitenprogramma ISIR (Irian Jaya Studies), dat in 1993 van start is gegaan. Drie maanden per jaar onderzoekt De Vries in het Vogelkopgebied het Inanwatan, zijn vierde Papoea-taal. “De situatie verschilt totaal met die van de Korowai. Het Inanwatan is door het vergaand oprukken van het Indonesisch rap bezig te verdwijnen, het is redden wat er te redden valt. Maar ook in de Vogelkop geldt: een uurtje de rivier opvaren en je bent in een andertalig universum. Steeds sta je op het verkeerde been.”

Over het hoe en waarom van de talenrijkdom in Nieuw-Guinea bestaat nog grote onduidelijkheid. Ook in gebieden waar veel contact was, vond De Vries grote diversiteit. “Lang niet alles is in kaart gebracht, pas met het overzicht in handen kunnen we naar de oorsprong. Kennelijk is taal sterk verbonden met identiteit. Diversiteit verdwijnt niet door verbreking van isolement, heb ik gemerkt. Wel leidt integratie in de Indonesische samenleving op den duur tot taalverlies. Het doet me denken aan mijn geboortegrond. Vroeger kende het Hoge Land van Groningen talrijke dialecten. Ervoor in de plaats kwam het Algemeen Gronings, en ook dat is bezig te verdwijnen. Ik kom uit Baflo, een dorpje aan de spoorlijn naar Roodeschool. Het telt drieduizend inwoners, net de Korowai.