Chailly voert De Vijfde van dubbel piano tot inferno

Concert: Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Riccardo Chailly. A. Schönberg op. 31, A. Bruckner Symfonie nr. 5. Gehoord: 7/2 Concertgebouw Amsterdam. Herhaling: 8/2. Uitzending: 17/2 Avro-radio.

Er zijn maar weinig symfonieën waar de klinische aanduiding 'De Vijfde' een vergelijkbare zeggingskracht heeft, zo'n connotatie heeft van onnavolgbaar contrapunt en zo'n wereld van orkestrale klankweelde voor het geestesoog tovert als Bruckners Symfonie in Bes grote terts. Men kan denken aan Beethovens Noodlot-symfonie of misschien aan het hemelse Adagietto uit Mahlers Symfonie in cis-klein, maar eigenlijk is er maar één Vijfde. Deze week wordt zij opnieuw uitgevoerd door het Koninklijk Concertgebouworkest onder leiding van Riccardo Chailly, en het monumentale opus zal ook wel mee gaan op de concertreis deze maand naar de Verenigde Staten.

Het botert wel tussen Chailly en Bruckners Vijfde. Dat bleek al uit de in 1993 verschenen cd waarop hij deze symfonie met zijn orkest vastlegde. En, ondanks enkele schoonheidsfoutjes, weet Chailly in zijn momentele interpretatie opnieuw alle registers open te trekken - een uitdrukking die men hier vrij letterlijk mag nemen. Van een dubbelvoudig piano door de lage strijkers in het openings-Adagio tot het inferno van een sempre fortefortissimo door het gehele orkest in de laatste zeventig maten van de symfonie, trekt Chailly een imposante lijn.

Chailly weet de organische eenheid van het werk, waarvan de delen motivisch ineengrijpen, in een absoluut logisch betoog te vatten. Daarbij laat hij het donkere timbre van de strijkers en de even krachtige als kwetsbare kopersectie niet alleen versmelten tot een homogene massa, maar schuilt zijn kracht bovendien in de subtiele nuanceringen van het tempo. In het Adagio heet het Beinahe Melodie im gleichen Rhythmus wie im Allabreve-Takte, jedoch langsamer, in het Scherzo achtereenvolgens Schnell - Bedeutend langsamer - Allmählich wieder ins schnelle Tempo. Chailly doet recht aan Bruckners soms cryptische omschrijvingen. Slechts enkele kleine desiderata bleven. Zo zou het contrast van de korte dialoog tussen koper en strijkers halverwege de Finale meer perspectief kunnen krijgen.

Tussen Chailly en Schönberg lijkt het beduidend minder te boteren. De vertolking van Schönbergs Variationen für Orchester opus 31 ontbeerde de warmbloedigheid van Bruckners Vijfde. Het werk werd vakkundig geslagen en zeer lijfelijk gedirigeerd. Maar desondanks klonk het koel en afstandelijk. Of meer nog: klinisch dood. En dat is in dit geval niet alleen op het conto van Schönbergs hermetische ciseleerwerk te schuiven.