Bang voor buitenlanders

DUIVENDRECHT. Door de ochtendvrieskou drijft kruidige rook. Twee zwarte Surinaamse jongens delen om half acht op het perron van station Duivendrecht een hasj-sigaret, terwijl ze wachten op de metro. Ze staan nonchalant in hun gympies en korte jekkies. Nog op of al op? Niet naar school vandaag? Onwillekeurig trek ik met een voet mijn tas dichterbij. De omroeper heeft al gewaarschuwd tegen zakkenrollers. Ook om me heen zie ik mensen beter opletten, in de zakken voelen, onopvallend maar toch. Hadden we ook zo uitgekeken als twee blanke jongens aan het blowen waren geweest?

Het zijn die kleine dagelijkse beslissingen van de stadsbewoner, in de tram, de bus en op straat. Moet ik 's nachts de straat oversteken voor die drie luidruchtige Marokkaanse jongens in de criminele risicoleeftijd van 14 tot 18 of passeer ik hen op de zelfde stoep? De straatwijsheid over criminaliteit onder minderheden wordt door steeds meer wetenschappelijk onderzoek ondersteund en is uiteindelijk geratificeerd door het enquêterapport over opsporingsmethoden. Dergelijke genuanceerde verslagen kunnen grof worden geïnterpreteerd.

Hoe ontwikkelt de burger zijn onderscheidingsvermogen? Anders dan blanke kansarmen zijn immigranten meteen aan hun uiterlijk herkenbaar. Ook als zij een voorbeeldig leven leiden, worden ze geassocieerd met louche figuren uit hun etnische groep. Veiligheidsagenten gaan gekleurde klanten in een winkel hinderlijk volgen. Aan de grens komt een extra paspoortinspectie.

In vijf jaar is de stemming in Nederland omgeslagen. Iedereen durft alles te zeggen wat hij op zijn hart heeft over immigranten. Het woord “neger” heeft een comeback gemaakt. Niemand doet nog lacherig over bewoners die protesteren tegen woonwagenkampen. Alledaagse discriminatie wordt steeds minder vergeleken met Auschwitz.

Vorig jaar had de officier van justitie nog belangstelling voor een uitspraak van VVD-er J. Rijpstra over immigratie en criminaliteit. Maar sociologen hebben het over “ontwortelingscriminaliteit”, misdaad die voortkomt uit verlies van de oude omgeving en moeizame aanpassing aan de nieuwe. Begin jaren tachtig werden uitspraken over misdaad onder immigranten door zaakwaarnemers van minderheidsgroepen gestraft met het etiket “racistisch”. Buiten extreem rechts zwegen politici besmuikt over allochtonen. Bij de afgelopen Tweede-Kamerverkiezingen in 1984 sloeg de stemming om. Kamerleden kritizeerden mensen die misbruik maakten van het asielrecht, illegalen en immigranten die zich niet zouden willen aanpassen. Volgens Ahmed Mokhtari, een professionele Rotterdamse voorlichter van Marokkaanse afkomst, heeft het geen zin meer om positieve voorlichtingscampagnes voor allochtonen te voeren. De campagne van de Nederlandse overheid “zet eens een andere bril op”, werkt averechts. “De mensen beginnen dan te lachen”, zegt Mokhtari.

Het werk van antidiscriminatiegroepen is er ingewikkelder op geworden. Vijftien jaar geleden hadden scholen nog “kerryprojecten”. Wat een koks, die nieuwkomers! Neem nog wat cous-cous. Multicultureel was bont, mooi en lekker, een Antilliaanse carnaval en een markt met koperen en houten snuisterijen. In de hoofden van blanken spookte de racisme-bacil, die moest worden verdelgd.

Cyriel Triesscheijn, directeur van de Rotterdamse anti-discriminatiegroep Radar stelt niet meer zoveel belang in de gedachten van mensen, racistisch of niet. Als ze zich maar correct gedragen. Allochtonen moeten niet op oneigenlijke gronden worden afgewezen bij sollicitaties. Belangrijker dan de symbolische kwestie van de knechtstatus van zwarte piet is economische emancipatie en werk voor 'medelanders'.

Het kantoor van Radar, op de eerste verdieping van een vierkant gebouw tegenover de Rotterdamse Laurenskerk, is verzakelijkt. Overal staan computers. Radar wordt nog maar voor een derde door de gemeente gesubsidieerd. De rest van het geld komt van opdrachten van beroepsgroepen die willen weten hoe ze moeten omgaan met allochtonen. De politie, die het zelf ook niet weet, krijgt cursussen. Triesscheijn, een besnorde ex-journalist met een legerfiets op zijn neus, denkt over een nieuw instructieprogramma voor portiers van café's, nachtclubs of hotels. Wanneer een groepje Marokkaanse jongeren ooit herrie heeft getrapt, laten die portiers andere Marokkanen er nooit meer in.

Toch weigert een goede uitsmijter niet alleen bekende lastpakken, maar ook nieuwelingen met wie hij mot denkt te krijgen. Ook blanken, van wie hem het gezicht niet aanstaat, laat hij buiten de deur. Dat onderscheidingsvermogen ontbreekt hem bij groepen die hij nog niet kent. Voor veel mensen is de kaart van de etnische groepen wit. Ze moeten de binnenlandse buitenlanders leren kennen. De sociale geografie van de Nederlandse stad is knap moeilijk geworden. De multiculturele samenleving zweeft tussen naïveteit en overdreven angsten.

De politieke correctheid van vroeger heeft het generaliseren bevorderd. Nu dreigen immigranten van miskende slachtoffers te veranderen in schurken. Triesscheijn geeft het voorbeeld van een vrouw die in een buurthuis klaagde over een Turk die haar had bedreigd met een mes. Ze werd terechtgewezen door de buurtwerker die zei dat zijn etnische achtergrond niet relevant was voor zijn daad. De vrouw rende stampvoetend het buurthuis uit. Een moderne buurthuiswerker zou eerst op de bedreiging met het mes ingaan en dan pas op de etnische kwestie. Maar een slachtoffer van beroving is moeilijk van zijn angsten af te helpen.

Mokhtari pleit voor meer Marokkaanse notabelen in Nederland maar in het beste geval duurt dat vele geslachten.

Volgens Amerikaans onderzoek komen immigranten gemiddeld pas na vier generaties sociaal en economisch gelijk met de autochtonen. Dan verschillen groepen nog sterk onderling. Japanners en joden stegen in Amerika sneller dan Mexicanen en katholieke Polen.

Het wachten op de elfstedentocht vergt veel geduld, maar het zal nog veel langer duren eer de voorzitter van die nationale trots een Fries van Marokkaans-Turkse afkomst is.

    • Maarten Huygen