Zweedse schaatsen en Hollandse hakjes

Gammelsträng, -18,4 graden Celsius. Ze kijken wat meewarig, die Zweden. Naar onze hoge noren. Zoals ze in een berghut zouden kijken als er iemand op hoge hakken boven kwam. “Wel aardig, voor in een balzaal.”

Voordat je in Zweden aan schaatsen toekomt, moet er heel wat worden voorbereid. Dat begint al met het aankleden. Daar zijn de Zweden goed in. Binnen hebben ze minder aan dan wij gewend zijn en buiten veel meer.

Sune, onze gastheer, overhandigt mij een wat hitsig uitziend 'outfitje', een tweedelig 'netpakje'. Een hemd en een lange onderbroek. Strakzittend. Een geheel synthetisch netwerk dat geen vocht vasthoudt. Dat moet eerst aan. De gastheer duldt hier geen tegenspraak. Als je alle lagen plus mutsen, dassen en wanten aan hebt, moet je wel naar buiten. Maar eerst krijgen we nog onze 'priemen' om de nek gehangen, twee stalen punten met handvat om onszelf weer uit het wak te werken. Eventueel, zo hopen wij. Maar de echte Zweed heeft nog meer bij zich als hij uit schaatsen gaat: een rugzak, deels gevuld met een luchtzak, waterdicht ingepakte reservekleren en een 'uit-stekende' reddingslijn. Daarnaast twee lange stokken die aan elkaar kunnen worden geklemd, één met een scherpe en één met een stompe punt. Eén om mee in het ijs te prikken en één om de klank van het ijs te horen. Allebei voor het stellen van de juiste diagnose. En dit alles omdat niemand je zal redden als er iets misgaat. Er is namelijk niemand. Maar dat er niemand is, dat is nu juist het mooie.

Eerst rijden we naar het 'andere' meer. Ze hebben er hier namelijk twee. Dat is handig, want ze bevriezen niet tegelijk. Zo heb je twee kansen op goed ijs. 'Dellen' heten die meren hier, en die 'andere' nu, is werkelijk een geweldige del. Meteen bij het begin al blijkt de zwakte van onze 'hoge hakjes'. Gelukkig niet meer onder de meewarige Zweedse blikken. Die Zweden staan namelijk binnen de korste keren al een eind verderop. Met warme handen en warme voeten.

De 'hoge hakjes-brigade' daarentegen is nog even bezig: eerst met roze handen de schoenen uit, dan met rode handen de schaatsen aan, met paarse handen de veters dicht, en ten slotte met witte handen de wanten aan, vlak voordat ze zwart worden, -18,4 graden Celsius.

Hè, hè. Nu eerst nog even wat strompel-klunen over wat slecht ijs, naar de Zweden toe. Die rijden daar al een tijdje rond op hun superieure materiaal.

Het zijn schaatsen die je vastmaakt onder warme 'langlauf-schoenen'. Dat is natuurlijk buiten de baan het beste concept. Is er iets waardoor het schaatsen ophoudt, dan doe je ze gewoon uit en wandel je verder. Daarom heb ik zolang zo taai volgehouden aan mijn houten noren, pas na lange jaren verslagen door die hopeloze bandjes.

De Zweedse schaats is echter geheel andere koek! Een topschaats met een superbinding.

We beginnen te rijden. Sune eerst voorop, als ijsmeester. Op het ijs ligt een laagje sneeuw van twee centimeter. Maar het ijs is geweldig. De zon staat op zijn hoogst, heel laag aan de horizon.

Dit is schaatsen. Dit is pas schaatsen! Een vlakte, een vlakte!

Al gauw durven we ons uit het spoor van de ijsmeester te wagen. Nu het meer eenmaal dicht is, groeit de ijslaag bij deze temperatuur razendsnel. Toch blijft het oppassen voor windwakken, plekken met sterke stroming of minder zoet water. De Zweden schaatsen daarom ook vrijwel rechtop. De Hollandse 'diepe zit' is meer voor plasjes met borden: 'Pas Op, Wak!' Maar we doen het toch.

Op dit ideale ijs doen onze hoge hakjes het best. Maar nu die tenen. Ondanks mijn gefrutsel met aluminiumfolie voel ik ze toch behoorlijk. En nergens erwtensoep. Een tijdje later voel ik ze al iets minder. Is dat nu een goed teken, of juist niet? De kunst is terug te gaan vóór ze helemaal bevroren zijn. De verleiding is echter groot door te gaan zolang het nog gaat. Gelukkig is daar, bij wijze van opgeheven vingertje... het oor van Sune. Daar mist een stuk uit. En niet omdat hij zo geboren is.

Het haar dat onder A.'s muts uitpiept is spierwit van de vorst. Ik vraag me af of je het breken kan, maar ze vertrouwt mij niet als beginnend beeldhouwend kapper. Even later zien we Sune op zijn buik bij een scheur in het ijs. Hij is namelijk fotograaf, onder meer gespecialiseerd in 'ijs'. Maar het heeft geen zin. De sluiter is bevroren. Tijd om terug te gaam. Met rode handen veters los, met...

Stockholm, -6 graden Celsius.

Die Zweedse schaatsen, die moet ik hebben! Ze verkopen ze vooral bij winkels die ook in fietsen doen. Goedkoop zijn ze niet. Zo'n ƒ 250,- in de uitverkoop. En dan nog schoenen, voor ongeveer hetzelfde bedrag. (Maar daar kan je dan ook mee 'langlopen'.) Achterin de winkel stelt de specialist de schaatsen voor me af. Een echte kenner, wiens handen al eens dermate bevroren zijn geweest dat ze nu zelfs niet meer onder de koude kraan kunnen.

Dat afstellen van de schaatsen is erg belangrijk. Daarin schuilt ook het tweede grote voordeel boven onze 'hoge hakjes'. Bij de onze zit de voet 'model' boven de schaats, maar vrijwel geen enkele voet is ideaal. De één staat iets meer naar binnen, de ander naar buiten. Het is dus meestal meer of minder 'X' of 'O'. Vooral daarom merken veel schaatsers op 'confectie-noren' dat ze op hun ene schaats stabieler rijden dan op de andere. Bij de Zweedse schaats stel je de voet 'op maat' boven de ijzers.

Daar komt nog eens de ronding van die ijzers bij. De meeste Nederlandse schaatsen worden geslepen volgens een cirkel van 15 tot 20 meter. De meeste Zweedse houden het op 25 tot 35 meter. Daarmee 'loop je langer door' en word je minder gauw moe. Dan kun je er, na die eerste elf, nog een stadje bijnemen.

    • Joost Overhoff