Twee enquêtes

“Natuurlijk was te verwachten dat iets van de aanvankelijke euforie over de schoonheid van ons parlementaire stelsel verloren zou gaan. (...) Het debat vertoonde momenten van objectiviteit en berouwvol inzicht.

Een unanieme conclusie is nu, dat het parlement tekort is geschoten in zijn controlerende functie. (...) Het denkbeeld werd geopperd om via een grondwetswijziging het mogelijk te maken dat ook een minderheid van de Kamer het recht zou krijgen, een enquête te vorderen. Maar de afgevaardigde van het GPV sprak een verstandig woord toen hij zei dat extra bevoegdheden niets uithalen tegen parlementaire passiviteit.'' Drie passages uit het hoofdartikel van deze krant, niet van vorige week maar van op de kop af elf jaar geleden; het commentaar op het Kamerdebat na de publicatie van de RSV Enquête.

In dat onderzoek, onder voorzitterschap van de toen nationaal beroemd geworden afgevaardigde Van Dijk, werden belangrijke vertegenwoordigers van de gerespecteerde klasse der managers van hun aureool beroofd. Toen waren het kopstukken van Rijn Schelde Verolme die op z'n best er met de pet naar hadden gegooid, op z'n slechtst met fanatieke ijver aan hun eigen portemonnee hadden gedacht en samen met een minister voor het concern de weg naar de afgrond hadden gebaand. Maar niet alleen zij werden door de commissie beschuldigd. Het parlement droeg door zijn goedgelovigheid en nonchalance ook een zware verantwoordelijkheid.

Het debat over de conclusies van de commissie-Van Traa wordt pas in april gehouden, maar nu al is er geen gebrek aan parlementaire reacties. Het lijkt wel alsof sommige afgevaardigden daarvoor dit hoofdartikel van elf jaar geleden hebben geraadpleegd. De uitstalling van voldongen feiten is nog veel uitgebreider dan toen. Eén minister, Hirsch Ballin, blijkt terecht te zijn 'opgestapt'; de andere, Van Thijn, heeft achteraf gelijk maar wil (volgens een vraaggesprek in Het Parool van gisteren) geen 'eerherstel' want vindt dit een “Oostblokterm”. Hij rept van “bizarre debatten in de Tweede Kamer”, voelde zich “een kind in de boosheid”, en “was het Haagse milieu volstrekt ontwend”. Niet een paar kopstukken uit het bedrijfsleven zijn door de mand gevallen; het gaat om de twee 'onkreukbaarste' instituten, politie en justitie, en ten slotte de politiek zelf. Gebeurt zoiets in het buitenland, dan noemen we het een schandaal van groot formaat. Weer verklaren Kamerleden dat wat minder goedgelovigheid en meer oplettendheid op hun plaats waren geweest.

Onze politieke cultuur brengt met zich mee dat we liever eerst zoeken naar de oorzaken en pas daarna proberen de schuldigen aan te wijzen. In zijn column van maandag in de Volkskrant schrijft Kees Schuyt dat “de echte diepere oorzaak natuurlijk het drugsprobleem is, waarmee de hele westerse wereld geen raad weet”. Zo is het. Over de oplossing daarvan heerst overal verwarring, maar in Nederland is dat om te beginnen al een bijzondere. Door legalisering van softdrugs zou de criminaliteit een zwaardere slag worden toegebracht dan waartoe het slimste IRT in staat was. Het is niet uitgesloten. Maar omdat de rest van de wereld een andere mening is toegedaan, zou zo'n legalisering nu voor de criminaliteit een geschenk uit de hemel zijn.

Men trekt vergelijkingen met de Verenigde Staten in de tijd van de Prohibition, het verbod van alcohol dat de grondslag voor het gangsterdom is geweest. Maar wat wordt daarmee aangetoond? Niet in de eerste plaats dat afschaffing van dat verbod de gangsters de genadeslag heeft toegebracht, maar dat een land in een uitzonderingspositie zich kwetsbaarder maakt. Het is waar dat overal in de westerse wereld naar nieuwe methoden tot bestrijding van de drugscriminaliteit wordt gezocht (het zeer conservatieve Amerikaanse tijdschrift National Review van deze maand neigt naar het Nederlandse standpunt), maar de wereld is nog niet bekeerd, en daardoor komt het dat wij hier, in onze chaos van het gedogen, voortdurend in conflict zijn met andere landen die zich op dit gebied even overtuigd gidsland voelen. De diepste oorzaak van ons probleem is de disharmonie met het buitenland.

In zijn column van gisteren oppert J.L. Heldring een andere oorzaak. Wij die ons in een au fond fatsoenlijk land waanden, moeten ons “zelfbeeld” herzien. De burgerij leefde in de veronderstelling dat de magistratuur onaantastbaar was, en die, op haar beurt, dacht dat het met de misdadigheid der burgers niet ongewoon gesteld was. Deze cultuur, die van de wederzijdse Nederlands-naïeve, vriendelijke goedgelovigheid, heeft zich, zij het in een wat veranderde vorm, voortgezet tot in de generaties die nu de touwtjes in handen hebben. Maar intussen heeft in de gedaante van grote criminaliteit de rauwe buitenwereld zich aangediend. Het vergt tijd om ons aan te passen.

Dat Nederland eerst een jaar of dertig geleden door de hennep is overvallen en toen door de georganiseerde misdaad: het valt niet tegen te spreken. Maar de commissie-Van Traa is niet de eerste die schandalen onthult. Behalve die van de parlementaire enquêtes zijn er nog een paar 'commissies van drie', of van 'wijze mannen' geweest die ook het een en ander hebben opgehelderd over de ware aard der mensen. Deze, in zijn calvinistische definitie, zouden we ook als diepste oorzaak kunnen beschouwen.

Behalve objectieve oorzaak is er subjectieve schuld. Dus waarom niet gezegd dat mensen die we vertrouwden, officieren van justitie, commissarissen van politie en Kamerleden, lui of laf zijn geweest, hebben zitten slapen of deden alsof en nu moeten verdwijnen, zoals elf jaar geleden schuldigen na de RSV-enquête zijn verdwenen, zij het ook te laat?

    • H.J.A. Hofland