Rel over ETA belicht slechte justitiële samenwerking in EU

BRUSSEL, 7 FEBR. Het Belgische besluit om een Baskisch echtpaar dat wordt verdacht van samenwerking met de ETA voorlopig niet uit te wijzen, heeft geleid tot een diplomatieke rel tussen Madrid en Brussel.

Ambassadeurs zijn terug of op het matje geroepen en alle juridische samenwerking is opgeschort. De bilaterale ruzie onderstreept de onmacht van de lidstaten van de Europese Unie om tot een gemeenschappelijk justitie- en veiligheidsbeleid te komen.

“Dit valt moeilijk te rijmen met de principes van juridische samenwerking in de Europese Unie”, reageerde gisteren de Spaanse minister van buitenlandse zaken, Carlos Westendorp. “Ik begrijp in zekere zin de reactie van Spanje”, zei op zijn beurt de Belgische minister van justitie, Stefaan de Clerck. “Er zijn redenen om te zeggen dat de Europese (juridische) ruimte nog niet helemaal is gerealiseerd.”

Spanje baseert zijn verzoek om uitlevering op een anti-terrorisme verdrag van de Raad van Europa uit 1977. De Belgische regering maakte twee weken geleden bekend op dit verzoek te willen ingaan, maar de Raad van State besloot maandag dat het uitleveringsbesluit moest worden opgeschort. Volgens het rechtscollege kunnen de feiten in het Spaanse uitleveringsverzoek - zij worden verdacht van het onderdak verlenen aan de leden van een moordcommando van de ETA en het vervoeren van hen en hun wapens - niet gelijkgesteld worden met terroristische activiteiten. Eerder adviseerde ook de Belgische Kamer van Inbeschuldingsstelling dat het om een politiek misdrijf gaat, en op grond van politieke misdrijven levert België geen verdachten uit.

Om diplomatieke rellen zoals de huidige tussen Brussel en Madrid te vermijden, proberen de lidstaten van de Europese Unie al een aantal jaren een uniform uitleveringsverdrag op te stellen. Maar de onderhandelingen verlopen moeizaam. Enerzijds weigert een aantal landen, ondermeer Frankrijk, om zijn eigen onderdanen uit te leveren. Anderzijds blijkt het moeilijk overeenstemming te bereiken over politieke motieven die ingeroepen kunnen worden bij de weigering om uit te leveren, zoals nu het geval is bij het Baskische echtpaar.

Op de Europese justitieraad van afgelopen november, onder Spaans voorzitterschap, werd besloten dat een werkgroep zich over de kwestie moest buigen om in het eerste semester van dit jaar een plan in te leveren. Illustratief voor het moeizaam verloop van de onderhandelingen over een Europees uitleveringsverdrag is de conclusie van de raad dat “kwesties waarover overeenstemming bestaat tussen alle delegaties, niet heropend moeten worden.”

Het enige concrete besluit dat de EU-ministers van justitie en binnenlandse zaken op het gebied van uitlevering tot dusver hebben genomen, is een vereenvoudigde procedure voor de uitlevering van verdachten die zelf instemmen met hun uitwijzing. Dit besluit moet overigens nog bekrachtigd worden. “Uitlevering is een zeer gevoelige zaak”, aldus een commissiewoordvoerder. “Vooral als het gaat om uitlevering van eigen burgers.” Probleem is ook dat uitleveringszaken niet geheel onder de bevoegdheden van de overheden vallen, zoals de zaak van het Baskisch echtpaar bewijst. Immers, de Belgische regering wilde de twee Basken wel uitwijzen, maar ze werd teruggefloten door de Raad van State.

Het Spaans-Belgische dispuut bewijst eens te meer dat Europese juridische samenwerking nog in zijn kinderschoenen staat. “Deze zaak zal zeer negatief werken op de discussies over justitiesamenwerking tijdens de intergouvernementele conferentie”, voorspelt Europarlementariër Laurens-Jan Brinkhorst (D66). De enige oplossing is volgens Brinkhorst een gezamenlijke analyse van het opsporingsbeleid in de verschillende landen. “Zo lang er geen vertrouwensrelatie is tussen regeringen, is er geen werkelijk Europees beleid mogelijk.” Italië, dit half jaar voorzitter van de EU, kondigde vorige maand aan dat een Europees uitleveringsverdrag topprioriteit wordt. Maar dat beloofde de vorige EU-voorzitter, Spanje, een half jaar geleden ook.

    • Birgit Donker