Paarse samenleving heeft een blinde vlek voor mensenwerk

Het grote ideologische debat gaat nìet tussen liberalisme en sociaal-democratie, zoals premier Kok stelt, maar veeleer om de gemeenschappelijke beperkingen van markt en staat, aldus Harry Kunneman. Beide worden beheerst door een prestatiegerichte logica.

In de discussies rond de verhouding tussen staat en markt dreigt al snel een herhaling van zetten op te treden. Enerzijds worden goede argumenten aangevoerd voor de stelling dat het marktprincipe in veel gevallen de voorkeur verdient boven overheidsoptreden; anderzijds wordt met even veel recht gesteld dat de staat onvervangbaar is als behartiger van waarden en belangen die bij een onbelemmerde werking van het marktprincipe in de knel komen.

Zo blijven de beperkingen die zij delen buiten beeld, met name het feit dat zowel het optreden van de staat als het functioneren van de markt grotendeels berusten op resultaatgericht handelen, op vormen van technische en bureaucratische rationaliteit. Ik wil de stelling verdedigen dat voor het bepalen van de optimale verhouding tussen staat en markt een derde krachtenveld in de overwegingen betrokken moet worden, dat maatschappelijk van groot belang is maar zich grotendeels onttrekt aan het gezichtsveld van bestuurders en beleidsmakers.

De relatieve onzichtbaarheid van dit krachtenveld gaat in de eerste plaats terug op het feit dat het niet in één institutie of maatschappelijk veld is gelokaliseerd, maar op veel verschillende plekken is verankerd. In de tweede plaats laat het zich niet besturen en beheersen. Het krijgt gestalte op het microniveau van communicatieve relaties waarin mensen als persoon worden gezien en in hun bijzonderheid tot hun recht kunnen komen.

Relaties waarin zij, anders gezegd, erkend worden in hun narratieve individualiteit: in hun recht en in hun vermogen om een eigen plaats op te zoeken in een gemeenschappelijke sociale ruimte via verhalen waarin zij zelf als een betekenisvol persoon verschijnen.

Hoewel dit 'communicatieve krachtenveld' verankerd is in de alledaagse leefwereld, valt het niet samen met bijvoorbeeld het gezin of het maatschappelijk middenveld. Ook binnen gezinnen komen personen immers zwaar in de knel en ook op het maatschappelijk middenveld spelen willekeur en machtspolitiek een belangrijke rol.

Het tot stand komen van communicatieve relaties is in de hedendaagse cultuur in toenemende mate afhankelijk van eigen inspanningen van de betrokkenen in steeds wisselende, vaak tijdelijke contexten. Bijvoorbeeld de Rotterdamse buurtbewoners die in hun wijk een woning kraken en inrichten voor de plaatselijke junks, zodat die niet langer hun portieken vervuilen, maar een naam krijgen en een plek in het sociale netwerk van de straat. Of de leraar die niet alleen zijn lesprogramma afdraait, maar daarbinnen af en toe ruimte weet te maken voor thema's die emotioneel betekenisvol zijn en, even, een echt gesprek oproepen.

Dergelijke communicatieve micro-relaties zijn bronnen van betekenisgeving en waardenoriëntatie. Zij vormen contrapunten in de stroom van de prestatie-tijd waardoor de walkman-ego's en de agenda-jeugd worden voortgedreven. Maar dergelijke communicatieve relaties komen niet uit de lucht vallen. Zij hebben ruimte nodig en voeding. Enerzijds vormen ze het medium waarin intense banden tussen mensen kunnen ontstaan. Anderzijds worden ze weggedrukt door management, commercie en centralistisch bestuur. Het grote ideologische debat van de komende tijd gaat zo bezien nìet tussen liberalisme en sociaal-democratie, zoals Wim Kok stelt, maar eerder om de gemeenschappelijke beperkingen van markt en staat als ordeningskaders.

Zowel de liberale als de sociaal-democratische traditie vertonen de neiging om het genereren van betekeniskaders en waardenoriëntaties buiten beschouwing te laten. Zij verwelkomen het afbrokkelen van de levensbeschouwelijke 'theemutscultuur' als een vorm van emancipatie, respectievelijk als een toename van vrijheid en autonomie. Maar ze hebben weinig te bieden bij de zoektocht naar een functioneel equivalent voor de identiteitsbevestiging en de waardenoriëntaties die de theemutscultuur steeds minder weet te bieden.

De technische rationaliteit en de prestatiegerichtheid die zowel het functioneren van de markt als het overheidsoptreden kenmerken, zijn in dit opzicht ten diepste ambivalent: zij vergemakkelijken die zoektocht in materiële zin, maar belemmeren hem in inhoudelijk opzicht, omdat staat en markt vanuit hun eigen, prestatiegerichte logica niet in staat zijn intrinsiek betekenisvolle relaties te genereren. De zorg die een alfa-hulp thuis mag bieden is precies berekend; het contact tussen de arts op het consultatiebureau en de bezorgde jonge vader mag gemiddeld zeven minuten duren; de meubelwinkel waar ik helemaal mezelf mag zijn is slechts in mij geïnteresseerd zolang ik geld kom brengen.

Daar is op zich niets mis mee, want georganiseerde zorg, goed geregelde overheidsdiensten en commerciële dienstverlening hebben hun eigen, onvervangbare nut. In de postmoderne cultuur worden betekenis en waarden echter niet langer als vanzelfsprekend vanuit de leefwereld gegenereerd, terwijl tegelijkertijd een steeds groter deel van het leven zich afspeelt onder de invloed van commercie en overheid.

In een dergelijke cultuur doet zich steeds sterker de noodzaak voelen om te investeren in 'betekenistijd' en in communicatieve relaties. Die laten zich niet produceren maar wèl oproepen. De sleutel daarvoor is het ruimte bieden aan narratieve individualiteit, anders gezegd: het faciliteren van communicatieve, intrinsiek betekenisvolle relaties waarin mensen zich als persoon kunnen laten zien en erkenning kunnen vinden voor hun eigenheid. Naast alle voor de hand liggende materiële randvoorwaarden die daarbij in het geding zijn, bieden zich hiervoor de volgende wegen aan.

In de eerste plaats dienen zowel overheidsorganisaties als bedrijven aangesproken te worden op hun eigen mogelijkheden om in betekenistijd te investeren. Dat is meer een kwestie van creativiteit, sensibiliteit en lol in het proces, dan van geld. Zoals het bedrijf waar werknemers in hun lunchpauze taallessen geven aan allochtone kinderen. Of het verpleeghuis dat afdelingen ombouwt tot huisjes met een eigen, herkenbare cultuur, een eigen supermarkt voor en door bewoners opent in de kelder en een groot aantal familieleden en bekenden bij de dagelijkse gang van zaken weet te betrekken. Of de verbreiding van het 'Opzoomeren' in Rotterdam. Of de scholengemeenschap die de overgang van basisschool naar prestatiemaatschappij voor de brugklassers draaglijker maakt door hen een eigen deel van het gebouw te geven, en het onderwijs voor de hogere klassen interessanter maakt door het vak filosofie in het curriculum een plaats te geven en ruimte te scheppen voor zelfstandige reflectie.

In de tweede plaats dient binnen overheden en bedrijven niet alleen de nadruk te liggen op technische professionaliteit, productiviteit en managementkwaliteiten, maar dient ook ruimte geschapen te worden voor normatieve professionaliteit, voor het bewust omgaan met de normatieve vragen en de existentiële implicaties die verbonden zijn met veel vormen van professionele zorg en dienstverlening zowel voor cliënten, klanten en leerlingen als voor de professionals zelf.

In de laatste plaats is in dit verband een culturele verschuiving noodzakelijk in de richting van een grondige herwaardering van zorgactiviteiten. Niet alleen door het energiek voortgaan op de weg die nu al een klein stukje ingeslagen is, onder meer via het mogelijk maken van zorgverlof, maar veel verdergaand: door de problematiek van de maatschappelijke tweedeling radicaal aan te pakken vanuit het perspectief van zorg en betekenistijd.

Van veel kanten wordt inmiddels geconstateerd dat 'werk, werk, werk' als beleidsprincipe zeker lofwaardig is, maar tegelijkertijd aantoonbaar tot niets leidt voor een grote groep oudere, laag-opgeleide, allochtone, gehandicapte of anderzins definitief van betaalde arbeid uitgesloten uitkeringsgerechtigden. Niet alleen hebben zij het in materiële zin moeilijk, bovendien krijgen zij voortdurend het beeld aangereikt maatschappelijk overbodig te zijn. Ligt het niet zeer voor de hand om voor deze groep met behoud van uitkering en op basis van eigen voorkeuren en vermogens op grote schaal nieuwe vormen van vrijwilligerswerk op te zetten, om nieuwe netwerken te creëren waarin zij van betekenis kunnen zijn voor anderen, te meer waar zorg en betekenistijd maatschappelijk gezien zo'n schaars goed zijn?

Langs dergelijke lijnen kan concreet bijgedragen worden aan het versterken van het communicatieve krachtenveld dat in de discussies over de geëigende verhouding tussen staat en markt steeds weer naar de achtergrond verdwijnt. De communicatieve relaties waar het hier om gaat vormen een onontbeerlijke voedingsbodem voor betekenisgeving en pluriforme waardenoriëntatie - en wijzen voorbij het paarse supertrio concurrentie, consumptie en prestatie, dat ons voor het komende decennium eerder toenemende maatschappelijke spanningen dan een meer humane samenleving in het vooruitzicht stelt.