Navo moet niet te lang wachten met uitbreiding naar oosten

Bij diverse gelegenheden heeft VVD-voorman Frits Bolkestein in de afgelopen tijd stelling genomen tegen een spoedige uitbreiding van de NAVO. Ook in zijn artikel in deze krant van afgelopen zaterdag (3 februari), dat is gewijd aan onze verhouding tot Rusland (en dat terecht ook kritiek bevat op de toetreding van dat land tot de Raad van Europa), trekt hij van leer tegen de gedachte om op korte termijn één of meer Oosteuropese landen het lidmaatschap aan te bieden. Zijn conclusie luidt dat een uitbreiding van het Westers bondgenootschap tot de grenzen van de voormalige Sovjet-Unie een provocatie betekent van Rusland die geen enkel nuttig effect zal sorteren.

Gezien het belang van het onderwerp is het de moeite waard nader in te gaan op de geldigheid van Bolkesteins bezwaren. Vier bedenkingen worden door hem geuit. Ten eerste: uitbreiding is gelet op de huidige militaire zwakte van Rusland niet nodig. Ten tweede: het is verre van zeker dat de Westeuropese bondgenoten bijvoorbeeld Polen zullen verdedigen, indien ooit de nood aan de man zou komen. Ten derde: het openen van de deur tast de cohesie van het bondgenootschap aan. En ten vierde: uitbreiding zal leiden tot ongewenste druk van Rusland op Oekraïne en brengt de Russische medewerking aan de uitvoering van wapenbeheersingsovereenkomsten in gevaar. Naar mijn mening zijn alleen de laatste twee argumenten serieus te nemen en slaan de eerste twee als een boemerang op het bestaansrecht van de NAVO terug.

Wie, zoals Bolkestein, een verband legt tussen de afwezigheid van een externe militaire dreiging op dit moment en de opportuniteit van de uitbreiding, roept ongewild de vraag op hoe opportuun het lidmaatschap van bijvoorbeeld Nederland nog wel is, een land dat nu nog minder wordt bedreigd dan de Oosteuropese landen. Natuurlijk zijn voor de voortzetting van het lidmaatschap van ons land goede argumenten te leveren (daarover zijn Bolkestein en ik het eens), maar diezelfde argumenten zijn niet minder van toepassing op Polen, Tsjechië en Hongarije. Voor die landen geldt nog een extra argument: de behoefte aan een verantwoorde integratie van de strijdkrachten in een nog jonge democratische samenleving.

Bolkesteins tweede bezwaar is misleidend en gevaarlijk. Het is misleidend omdat het de indruk wekt dat de NAVO met bijvoorbeeld een Pools lidmaatschap alleen maar met een militaire last zou worden opgescheept. Het tegendeel is waar. Dat lidmaatschap zou de NAVO als verdedigingsalliantie de strategische diepte verschaffen, waaraan het in het verleden heeft ontbroken, met alle nadelige gevolgen voor het organiseren van een geloofwaardige verdediging.

Van wie heeft Bolkestein overigens de wijsheid dat nucleaire garanties aan nieuwe lidstaten niet in de bedoeling zouden liggen? Het bezwaar is ook gevaarlijk omdat het twijfel zaait aan de bereidheid van West-Europa om überhaupt de bijstandsverplichting (artikel 5) ernstig te nemen. Waarom zou Nederland wél NAVO-landen Turkije en Griekenland meebeschermen en niet de landen die in het hart van Europa liggen en waarmee we in menig opzicht meer verwant zijn?

Zoals gezegd, Bolkesteins laatste bezwaren snijden meer hout. Er bestaat inderdaad een gevaar van verwatering van het bondgenootschap, naarmate de kring van lidstaten zich uitbreidt. Aan deze wetmatigheid ontsnapt geen enkele internationale organisatie. De uitbreiding zal zich dan ook dienen te beperken tot die landen die geen afbreuk doen aan de strategische samenhang van het bondgenootschap en die - uiteraard - beschikken over onverdachte democratische geloofsbrieven. Tevens dient de inpassing van deze landen in de militaire organisatie stapsgewijs plaats te vinden. Voor het overige zal ook in de toekomst de slagkracht van de NAVO meer afhangen van de beschikbaarheid van het Amerikaanse leiderschap dan van de vraag of één, twee of vier landen zullen toetreden.

Verder is de vrees voor Russische obstructie in het overleg over wapenbeheersing en voor een intimidatiepolitiek van Moskou ten opzichte van landen die buiten een vergroot bondgenootschap zouden blijven, reëel. Het Westen heeft echter een paar troefkaarten op zak. Zo kan de NAVO de hoogte van haar militare profiel in de nieuwe lidstaten (legering van buintelandse troepen en opslag van kernwapens) in overleg met de Russen ter discussie stellen, uiteraard in ruil voor Russische tegemoetkomendheid ten aanzien van de Westerse zorgen.

Per saldo kom ik tot de slotsom dat de argumenten die voor de uitbreiding pleiten zwaarder wegen dan die daartegen worden aangevoerd. Kort samengevat zijn de argumenten pro: een vergroting van het veiligheidsgevoel in de nieuwe lidstaten landen; een ondersteuning van de democratisering in de betrokken landen; en een versterking van de relatieve militaire positie van het Westen, die van belang is in verband met het risico van een herrijzenis van de Russische macht. Ik laat dan nog maar het morele argument buiten beschouwing dat het moeilijk te verdedigen is landen in de kou te laten staan die in de afgelopen decennia een hoge prijs hebben betaald voor onze stabiliteit.

Ook ben ik van oordeel dat de NAVO-regeringen er verstandig aan doen een positieve beslissing niet te lang voor zich uit te schuiven. Anders dan Bolkestein lijkt aan te nemen, werkt de tijd niet in het voordeel van een uitstelstrategie. Wie mocht hebben gedacht dat Westerse terughoudendheid een gunstige uitwerking zou hebben op de binnenlandse situatie in Rusland, zal met droefheid moeten vaststellen dat de golven van nationalisme en grote-mogenheden-chauvinisme in dat land alleen maar hoger zijn geworden. Bovendien beginnen verantwoordelijke personen in kandidaat-lidstaten zich te voelen als afgewezen minnaars, waardoor de publieke steun voor toetreding in deze landen dreigt af te kalven. Het zou ironisch zijn indien de NAVO als geheel in dezelfde fout zou vervallen als de Nederlandse regering in de eerste helft van de jaren tachtig door zich van de wijs te laten brengen door Moskou's misbaren over de plaatsing van kruisvluchtwapens.

    • A. van Staden