Klimop

Op een zaterdagmorgen, het was om een uur of half negen, hoor ik een auto het erf oprijden. Ik spring uit mijn bed en kijk door het halfgeopende gordijn naar buiten. Een Volkswagenbus staat stil op een meter of tien van het huis. Er is een man uitgestapt die geagiteerd rondkijkt, mij in het raam ontwaart en roept: “Wij zijn van een klimopkwekerij, mogen wij bij uw muur wat stekjes knippen?” Er valt mij niet zo gauw een reden in om te weigeren, dus ik roep: “Ga uw gang.”

Ik besluit me snel aan te kleden want ik vind het een vreemd bezoek. In de tien minuten die dat vergt heeft de aanroeper met een handlanger al twintig bosjes bloeiende klimop bij elkaar geknipt. “Dat lijkt me wel voldoende”, roep ik. “Meneer, daar blijft na het uitplanten maar weinig van over”, zegt de man, driftig doorknippend, en hij stopt zijn arbeid pas als ik mij lijfelijk posteer tussen hem en mijn klimop.

De mannen laden de bosjes stekken in de Volkswagenbus en verlaten gezwind mijn erf. Nu was ik niet op de hoogte van het bestaan van klimopkwekerijen en mijn kleinburgerlijke wantrouwen had mij zorgvuldig het autonummer doen noteren. De plaatselijke politie gebeld en de dienders berichtten mij na een uur dat de auto geregistreerd stond bij een agrarische coöperatie, maar of dat ook een klimopkwekerij inhield, konden zij mij niet zeggen.

Ik was het wonderlijke bezoek al weer vergeten toen ik later die week de 'briltiek' binnenstapte in het winkelcentrum van het dorp waar het bestuur van mijn gemeente zijn zetel heeft. De brillenman heeft achter zijn 'tiek' een plaatsje dat gebruikt wordt door de belendende bloemenwinkel.

Terwijl mijn gerepareerde leesbril nog even wordt opgepoetst, laat ik mijn blik ontspannen over het door een helder winterzonnetje beschenen plaatsje gaan. En op dat plaatsje ontwaar ik een aanzienlijke voorraad zorgvuldig opgestapelde bosjes klimop. Vaardig bij elkaar gebonden, zoals ik dat die mannen in mijn tuin had zien doen. Een bosje of twintig. Ik keek nog eens goed. Wel verdraaid, daar lag mijn klimop.

“Wat een lekkere voorraad klimop heb jij op je plaatsje liggen”, zei ik even later tegen de bloemiste, die met man en grote hond bij mij in het dorp woont. “Ja goed hè”, antwoordde ze, “dat is prachtig groen voor bloemstukken, sterk en fris. Dat vind je niet veel in deze tijd.” Ik knikte begrijpend. “Hoe kom je eraan”, vroeg ik. “Oh”, zei ze, “dat koop ik van een paar mannen die in de loop van de winter altijd bij me langskomen.” “Met een Volkswagenbus?” “Inderdaad”, zei ze, “met een Volkswagenbus, hoe weet je dat.”

“En wat betaal je daar nu voor?” “Zeventien gulden per bos.” Ik rekende snel uit. Ze waren bij mij vertrokken met ongeveer 25 bossen. Dan heeft dat half uur in mijn tuin toch evengoed een vierhonderd gulden opgeleverd. Daar moet zelfs een advocaat een uur voor werken. “En hoe komen ze aan dat spul?” vroeg ik de bloemiste. “O, dat halen ze bij een boertje in België.” Ik heb de muur inmiddels elektronisch beveiligd, met een bewegingsmelder, voor als die 'kwekers' nog eens terugkomen.

Volgend jaar ga ik zelf knippen. Mijn buitengoedje heb ik vast 'Klein België' gedoopt, dan hoeft er voor de bloemiste niet zoveel te veranderen.

    • Jan Godschalk