Het eeuwige lijden van het Russische volk

Voorstelling: Chovansjtsjina van M. Moesorgski door de Nationale Opera Brussel o.l.v. Paul Daniel m.m.v. o.a. Willard White, Vladimir Bogatsjov, Anatoli Kotsjerga en Elena Zaremba. Decors: Chloë Obolenski; kostuums: Clausie Gastine; regie: Stein Winge. Gezien: 6/2 Muntschouwburg Brussel. Herhalingen t/m 17/2.

De opera Chovansjtsjina van Modest Moesorgski is zoiets als het toneelstuk Wozzeck van Georg Büchner: onvolledige schetsen met een losse verhaallijn. Samen vormen ze een evocatie van een sfeer, een toestand, een verkenning van de condition humaine.

Chovansjtsjina, nu door de Brusselse Opera opgevoerd in de orkestratie van Sjostakovitsj, handelt over de verwarde en roerige toestanden in het Russische rijk, toen tsaar Peter de Grote zijn vernieuwingen doorvoerde. Doem beheerst de verwikkelingen, de Bojaren wordt een deel van hun macht ontnomen, de moraal ontspoort op alle gebieden, op religieus gebied is er het fundamentalisme van de Oud-gelovigen.

Men kan Chovansjtsjina zien als een pars pro toto voor vrijwel de hele Russische opera, als een onderdeel van dat gezamenlijke oeuvre waaraan Russische componisten nu al meer dan anderhalve eeuw schrijven: Een leven voor de tsaar (Glinka), Prins Igor (Borodin), Boris Godoenov (Moesorgski), Mazeppa (Tsjaikovski), Iwan de Verschikkelijke (Rimski-Korsakov), Oorlog en vrede (Prokofjev), Lady Macbeth van Mtsensk (Sjostakovitsj) en Life with an idiot (Schnittke).

Het gaat in al die opera's om een land in permanente tijden van troebelen, angst en terreur, om machtsusurpatie, perversie, verraad, verbanning, dood, moord en executies. Die alomvattende Russische opera is een deprimerend oeuvre over nimmer eindigend Russisch leed, een requiem voor een land en volk dat eeuwig sterft.

De Noorse regisseur Stein Winge ensceneert Chovansjtsjina dan ook als een duister verhaal van alle tijden: vanaf de middeleeuwen tot het heden. Tsaren, communisten, ex-communisten: het maakt in Rusland in de praktijk niets uit. De eerste scène wordt bevolkt door lijken, in de laatste liggen er nog veel meer. Als er wordt gezongen over de tsaar, kan men er ook 'partijleider' of 'president' bij denken, de streltsy kunnen doorgaan voor de KGB, de hetze tegen de Tataren is nu de strijd tegen de Tsjetsjenen.

In deze Chovansjtsjina herinnert de collectieve rituele zelfmoord van de bedreigde Oud-gelovigen in een berkenbos aan de slotscène van Boris Godoenov, waar het Russische volk in het Woud van Kromy tenonder gaat. 'Vloei, vloei bittere tranen!', zingt de nar daar. Hier zingt Dosifej tijdens een zelfverbranding in een woud van kaarsen: 'We belijden de Heer de waarheid, het ontbreekt ons aan niets.'

De muzikale uitvoering onder leiding van Paul Daniel is uitstekend en er wordt gezongen door een sterk bezette cast. Anatoli Kotsjerga is een Dosifej met een donderende stentorstem, Willard White imponeert als Ivan Chovanski, Vladimir Bogatsjev geeft een treffende uitbeelding van zijn weerzinwekkende zoon Andrej en de gedreven Elena Zaremba is een Marfa, die het goede representeert, tot ook zij sterft.

    • Kasper Jansen