'Genocidewet' tegen Albanese oppositie

De datum voor de Albanese parlementsverkiezingen staat nog niet vast, maar de verkiezingskoorts is al huizenhoog opgelopen - vooral door de pogingen van de regerende Democratische Partij (PD) om de oppositie al in een vroeg stadium zoveel mogelijk wind uit de zeilen te nemen.

De PD, de partij van president Sali Berisha, heeft eerst opruiming gehouden in eigen kring en concentreert zich nu op uitschakeling van de oppositie. In maart vorig jaar werd PD-secretaris Eduard Selami weggestuurd na kritiek op Berisha's ontwerp-grondwet. In september werd een andere voormalige medestander van Berisha, Zef Brozi, voorzitter van het Hooggerechtshof, onzacht weggewerkt. Hij had Berisha onder andere geërgerd door corrupte overheidsambtenaren aan te pakken. Na een campagne van pesterijen, verdachtmakingen en zelfs fysiek geweld werd Brozi afgezet. Hij nam prompt de wijk naar de VS.

Vervolgens was het de beurt aan de oppositie. De belangrijkste wapens van de PD tegen de socialisten (ex-communisten) en de sociaal-democraten (ook zij weggelopen bondgenoten van de PD) zijn de zogenoemde genocide-wet en de nieuwe kieswet.

De genocidewet sluit Albanezen, die functies hebben bekleed ten tijde van het steentijdsocialisme van Enver Hoxha en Ramiz Alia, tot het jaar 2002 uit van enige rol in het politieke leven, de rechtspraak en de staatsmedia. Zij immers, zegt de wet, hebben hun handen vuil gemaakt aan de misdaden van het stalinisme, de 100.000 politieke verbanningen, de 15.000 veroordelingen en de 5100 politieke doodvonnissen.

Nu heeft vrijwel iedereen die nu een rol speelt in het openbare leven, wel enige boter op het hoofd. Berisha zelf is lijfarts geweest van Enver Hoxha. Maar de overheid interpreteert de wet exclusief tegen de oppositie. Op grond van de wet kunnen de belangrijkste kopstukken van de socialisten niet aan de verkiezingen deelnemen. Hun populaire leider Fatos Nano, de na een dubieus proces wegens corruptie veroordeelde ex-premier, kan niet worden gekozen. Dat geldt ook voor de secretaris-generaal van de socialisten, Gramoz Ruci, ex-premier Ylli Bufi en de tweede schrijver van het land, Dritëro Agolli. Ook de leider van de oppositionele sociaal-democraten, Skender Gjinushi, is uitgesloten, omdat hij in de nadagen van het socialisme nog even minister van onderwijs is geweest. Dat hij daarna in een coalitie met de PD heeft samengewerkt, telt inmiddels niet meer mee.

Een andere wet verbiedt het oud-medewerkers van de stalinistische geheime dienst Sigurimi in het parlement te zitten, bij ministeries te werken of zelfs werkzaam te zijn bij kranten - onafhankelijk of niet - met een oplage groter dan drieduizend exemplaren. Daarmee worden opnieuw veel oppositiekandidaten uitgesloten. Voor de beoordeling van wie wel en wie niet met de Sigurimi heeft samengewerkt wordt een panel van negen leden benoemd - door de regering.

In januari hekelde een delegatie van Europese socialisten het misbruik van de wet door de PD. In Tirana zei Jean Franois Vallin, leider van de Partij van Europese Socialisten, de grootste fractie in het Europese Parlement: “Mensen die niet door een rechtbank schuldig zijn bevonden, worden beschouwd als onschuldig. Niemand kan in een democratisch land worden beroofd van zijn recht te worden gekozen.”

Ook de nieuwe kieswet, op 30 janauri aangenomen na chaotische taferelen in het parlement, dient als een wapen van de PD tegen de oppositie. Afgevaardigden van twaalf partijen (alle partijen minus de PD) liepen het parlement uit tijdens de belandeling van het wetsontwerp. De kieswet bepaalt dat niet honderd, maar 115 parlementariërs direct worden gekozen en slechts 25 via landelijke partijlijsten. Die bepaling benadeelt de kleine partijen die het van hun landelijke lijsten moeten hebben. De kieswet verbiedt ook het sluiten van verkiezingscoalities door kleine partijen, waarmee ze de kiesdrempel van vier procent zouden kunnen nemen. De oppositie was verder woedend over de samenstelling van de kiescommissies, omdat die de PD bevoordelen, en over het vacuüm van twee maanden tussen de ontbinding van het oude parlement en de dag van de verkiezingen. De oppositie was bang dat de regering in die twee maanden zou willen overgaan tot de arrestatie van oppositiepolitici, die immers bij de ontbinding van het oude parlement hun onschendbaarheid verliezen. Uiteindelijk werd na een zeldzame concessie van de PD besloten de onschendbaarheid van de zittende parlementariërs te verlengen tot de opening van het nieuwe parlement. Ook hebben de kleine partijen meer zendtijd gekregen en heeft de PD beloofd de kiescommissies evenwichtiger samen te stellen. Niettemin is de nieuwe kieswet voor vier partijen van de oppositie aanleiding te dreigen met een boycot van de verkiezingen.

De polarisatie loopt ook buiten het parlement hoog op. Het blad Rilindja Demokratike beschuldigde de socialisten er eind januari van “zich voor te bereiden op een burgeroorlog” en “hit squads te vormen om op de verkiezingsdag te grijpen wat ze via stembus niet kunnen krijgen”. De geheime dienst beschuldigde de socialisten van het aannemen van (veel) geld uit Servië met de bedoeling “in Tirana weer communisten aan de macht te brengen”, een “monsterlijke misdaad”, aldus de regering nog voordat de zaak was onderzocht. Eveneens vorige week wist Arben Mece, parlementslid voor de PD, te melden dat de sociaal-democratische leider Gjinushi tijdens zijn studie in Frankrijk heeft gespioneerd voor de Sigurimi. “Hij heeft zich verstopt in de plee van de politiek”, zo vertelde Mece in het parlement en later nog eens op straat, aan iedereen die het horen wilde.

De twisten hebben Ismail Kadare, 's lands belangrijkste schrijver, er inmiddels toe gebracht beide partijen te kapittelen. “Zowel de regering als de oppositie is agressief, wreed, koppig en niet in staat een gemeenschappelijke taal te vinden. De toestand is niet zo zwart als de oppositie haar afschildert, noch zo rozig als de regering zegt.” Toch is Kadare niet pessimistisch: de stabilisatie komt er wel. Alleen: “Ze zal komen van de mensen, niet van de politici.”

    • Peter Michielsen