Een nirwana in de verbeelding van een toverkol

Voorstelling: Een doodnormale vrouw. Tekst, regie en vormgeving: Jan Fabre. Spel: Els Deceukelier. Gezien 6/2 Rotterdamse Schouwburg. Te zien t/m 8/2 aldaar.

Het is niet verwonderlijk dat toneelschrijver en beeldend kunstenaar Jan Fabre zich voelt aangetrokken tot de magische wereld van de heksen. Hun geheimzinnige nachtbestaan voltrekt zich immers volgens rituelen: zij bezweren met taal machten die sterker zijn dan zijzelf. Zij omringen zich met muis en poes, twee dieren die tot elkaar zijn veroordeeld.

Jan Fabre's werk, zowel voor theater als zijn beeldende kunst, vertoont altijd een hang naar het rituele. Een verhaal is bij hem nooit eenduidig, abstracte associaties spelen mee, er zijn flarden tekst die regelrecht uit het onbewuste tevoorschijn komen. En hij goochelt met tegenstellingen; kat evengoed als muis, man en vrouw, jong en oud, hard en zacht.

In Een doodnormale vrouw, zijn derde monoloog na Vervalsing zoals zij is, onvervalst en Zij was en zij is, zelfs, speelt Fabre's vaste actrice Els Deceukelier een in giftig groen gestoken heks, gekapt met een felblonde pruik. Hooggehakt stapt zij rond over de speelvloer die is bezaaid met aan scherven geslagen witporseleinen borden, scherp en grillig als ijsschotsen. De achterwand bestaat uit een zwart gordijn. Haar bezemsteel is een toverstok.

De vrouw is aan elke tijd en werkelijkheid ontstegen. Ze begint haar monoloog met het telkens herhaalde 'Hoe laat is het?' Ze richt zich tot een denkbeeldige man, niet een man buiten haar, eerder de man in haarzelf. Hij is de ongeïnspireerde man van de regels, de afspraken, de agenda, de vastigheid, het risicoloze. Zijzelf wil op zoek gaan naar het buitensporige, naar 'de losbandigheid van de totale willekeur, de losbandigheid van de hartstochtelijke willekeur'.

Het is onmogelijk Fabre's poëtische taal terug te brengen tot mededelingen die 'ergens over gaan'. Hij schrijft geen beursberichten of dorre rapporten. Zoals de vrouw op zoek is naar de man in haarzelf, zo is zij als spreekster ook op zoek naar taal. Zij probeert zich in te leven in de mannelijke sekse. Hoe zou het zijn één nacht van rol te wisselen: de man een vrouw en de vrouw een man. Elkaars seksualiteit beleven. Het klinkt als een droom, waarin de strijd tussen de seksen, waarover Strindberg keer op keer schreef, voorgoed voorbij zou zijn. Een nirwana, maar helaas: een nirwana in de verbeelding van een toverkol.

Fabre's enscenering van zijn monoloog is hard en ook teder. Els Deceukelier speelt haar rol van buitenzinnige en tegelijk doodnormale vrouw met een intensiteit waarin fluisteren evenveel kracht krijgt als krijsen of schel lachen. De borden die ze breekt, breekt ze uit een gevoel van onmacht. Tegelijk schept ze er een satanisch genoegen in. Van de toeschouwer vereisen Fabre en Deceulier een hoge inzet: met rationaliteit komen we er niet. We moeten de voorstelling ondergaan, als een muziekstuk van taal, knerpende borden, het gelach van een heks. Mooi is het moment waarop zij ineens onder een bord een muis aantreft, en later nog een. Het zachte, weerloze vel zo contrasterend met de messcherpe brokstukken porselein.

De vrouw die een man wil zijn plaatst zichzelf in een doolhof van tegenstrijdigheden. Zo moeten we naar Fabre's complexe tekst luisteren. Aan het slot erkent ze dat elke reis een 'terechtstelling' is, want er is altijd de vreugde om de terugkeer. Ze heeft haar zoektocht beëindigd, en moeten inzien dat ze voorgoed in haar eigen lichaam is vastgeklonken, al wil ze dat met een mes als Lucretia doorboren en haar ogen uitsteken. Zo ontkomt niemand aan zichzelf, we tasten blind rond over een kruiend meer van ijsschotsen.