Dayton en het recht

HET VREDESAKKOORD van Dayton begint voorzichtig vorm te krijgen in het voormalige Joegoslavië, maar het internationale tribunaal dat voor dit gebied is ingesteld staat nog voor enorme problemen. Daarop komt ook nog het aangekondigde vertrek van de hoofd-aanklager, de Zuidafrikaanse rechter Goldstone. Deze heeft indruk gemaakt door de wijze waarop hij de geloofwaardigheid van het tribunaal tegen de klippen op heeft verdedigd. En er zijn heel wat klippen, niet in de laatste plaats die van de overspannen verwachtingen.

Van meet af aan was duidelijk dat Goldstone terug zou willen naar zijn eigen land, waar het constitutionele hof op hem wacht. Ook een hele taak. Maar een zekere frustratie is niet vreemd aan zijn vertrek uit Den Haag, zo wil zijn hoofdkwartier wel toegeven. De aanklager heeft op een aantal belangrijke punten de medewerking van de Verenigde Staten gekregen, of althans de belofte van medewerking. Maar het knelpunt blijft dat de IFOR-vredesmacht zich op het standpunt stelt dat het niet haar taak is gezochte oorlogsmisdadigers op te pakken. Alleen toevalstreffers zullen worden meegenomen. TOCH VORMT HET akkoord van Dayton een niet te verwaarlozen steuntje in de rug voor het tribunaal. Alle partijen verplichten zich daarin om medewerking te verlenen. De Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, die het tribunaal heeft ingesteld, heeft deze verplichting nog eens onderstreept. Dat de internationale troepenmacht niet zelf de opsporing ter hand neemt is te billijken. Handhaving van de vrede staat of valt met neutraliteit tegenover de strijdende partijen. Na een bezoek aan de NAVO-commandant Joulwan heeft Goldstone ook geaccepteerd dat de troepen geen mandaat hebben als politiemacht te dienen.

Dat maakt de opsporing tot een kwestie van de lokale politiekorpsen, die deel uitmaken van het ingewikkelde complex van problemen dat het internationale hof nu juist heeft te adresseren. Hoe explosief de toestand is toont de arrestatie van Servische officieren in de buitenwijken van Sarajevo door de Bosnische politie. Een doorbraak is niet te verwachten zolang de leiders van Kroatië en Servië, Tudjman en Milosevic, blijven zeggen dat de ander de eerste stap moet doen. Beiden zijn zelf onderwerp van onderzoek, maar dat hoeft geen beletsel te zijn anderen op te offeren. De Amerikaanse minister van buitenlandse zaken, Christopher, noemde onlangs in een rede aan de Harvard-universiteit hulp aan het internationale tribunaal een van de belangrijke doelstellingen voor 1996 en is dat nu alvast in Belgrado komen herhalen.

VAN DE 52 PERSONEN die in staat van beschuldiging zijn gesteld (45 Serviërs en 7 Kroaten) is er nog slechts één gearresteerd, Dusko Tadic. Diens Nederlandse raadsman Wladimiroff is na een aanvankelijke boycot door de Bosnische Serviërs nu toegelaten tot het gebied om te speuren naar een alibi. De Bosnische Serviërs beginnen kennelijk toch koude voeten te krijgen, getuige een recent signaal van hun leider Karadzic dat zijn bewind zelf de berechting van begane oorlogsmisdaden ter hand wil nemen. Dat illustreert dat er toch wel enige beweging is.

De IFOR verleent intussen wel dekking aan onderzoeksteams in het veld, die dan ook weer de gruwelijkste dingen opgraven. Het zijn deze voortgaande onthullingen die kracht bijzetten aan de waarschuwing van Goldstone dat er “geen vrede zonder rekenschap” is. De berechting van een bescheiden aantal bedrijvers van de wandaden wist het onrecht niet uit. Het tribunaal is onontbeerlijk om de vicieuze cirkel van de collectieve schuld te helpen doorbreken.