Auteurs willen meer geld; Onenigheid over leengeld bibliotheken

AMSTERDAM, 7 FEBR. De stichting Leenrecht, die namens schrijvers en uitgevers onderhandelt over de auteursrechten op uitgeleende boeken, dreigt in aanvaring te komen met de bibliotheken over de hoogte van het uit te keren bedrag. De bibliotheken houden vast aan de 10 miljoen gulden, die tot dusver werd uitgekeerd, en zijn hooguit bereid jaarlijks “een bescheiden verhoging” toe te kennen. Leenrecht vindt zo'n marginale stijging “niet acceptabel” en dringt aan op “belangrijk méér”.

Sinds 1987 keerde het toenmalige ministerie van WVC, op basis van steekproeven bij de bibliotheken, jaarlijkse vergoedingen uit aan schrijvers en uitgevers wier werk regelmatig was uitgeleend. De toenmalige minister Brinkman stelde daarvoor 15 miljoen gulden beschikbaar. Zijn opvolgster d'Ancona maakte er 10 miljoen van en bestemde de rest voor het Fonds voor de Letteren. Gemiddeld wordt de auteurs tot dusver 6 cent per uitlening uitgekeerd. De laatste jaren werd deze 10 miljoen opgebracht door de bibliotheken.

Sinds 1 januari valt de leenvergoeding, volgens een Europese richtlijn, onder de auteurswet. Daardoor hoeft het ministerie zich er niet langer mee te bemoeien; de uitvoering en de hoogte van de uitgekeerde bedragen worden nu overgelaten aan de betrokken partijen. De nieuwe wet schrijft alleen nog voor dat er een “billijke vergoeding” moet worden betaald.

De stichting Leenrecht wijst erop dat het aantal rechthebbenden sinds de wetswijziging aanzienlijk is gestegen. Tot dusver werd alleen betaald aan levende auteurs in het Nederlands en het Fries, maar nu gelden ook voor de leenvergoeding de uitgangspunten van de auteurswet: alle schrijvers komen, tot zeventig jaar na hun dood, in aanmerking voor een uitkering. Zo moet voortaan ook leengeld worden betaald aan de erven van vaak uitgeleende schrijvers als Simon Carmiggelt, Godfried Bomans en Simon Vestdijk. Daarnaast vallen ook buitenlandse schrijvers, onder wie publiekstrekkers als Ludlum en Agatha Christie, onder de nieuwe wet.

De vereniging NBLC, die de 900 openbare bibliotheken vertegenwoordigt, houdt niettemin vast aan een geringe stijging van de 10 miljoen gulden die tot dusver aan leenvergoedingen werd betaald. “Een veel hoger bedrag zou de bibliotheken in ernstige problemen brengen,” zegt beleidsmedewerker Rob Kooyman. “Wij worden voornamelijk gesubsidieerd door de gemeenten - en die hebben nogal eens de neiging bezuinigingen af te wentelen op de bibliotheken. En waarop kunnen de bibliotheken zelf nog bezuinigingen? Op de aankoop van nieuwe boeken. Dus daar zouden de auteurs en uitgevers zichzelf mee in de vingers snijden.”

André Beemsterboer, directeur van de stichting Leenrecht, vreest dat de spoeling voor de betrokken schrijvers en uitgevers veel te dun wordt als het bedrag niet substantieel stijgt. Hij is het niet eens met het NBLC-standpunt dat buitenlandse auteurs maar aanspraak moeten maken op een deel van het geld dat tot dusver alleen aan hun Nederlandse vertalers werd betaald. “We hebben er begrip voor dat de bibliotheken het geld niet zomaar uit hun mouw kunnen schudden,” aldus Beemsterboer, “maar het is niet billijk de vergoeding op het huidige niveau te houden.” Hij wil, “nu we in de eindfase van de onderhandelingen zitten”, niet zeggen hoe hoog de leenvergoeding volgens de auteurs moet zijn.

De onderhandelaars hopen uiterlijk deze maand tot afspraken te komen. Of dat zal lukken, staat echter nog lang niet vast. Wel is voorlopig overeengekomen dat dit jaar een overgangsjaar zal zijn op basis van de bestaande bedragen.

    • Henk van Gelder