100 Jaar; A bout de souffle

Alfabetisch gesproken staat A bout de souffle (Jean-Luc Godard, 1960) bovenaan elke filmlijst; wat betreft de betekenis van dit filmisch manifest van de 'nouvelle vague' voor de geschiedenis van de cinema moet je denken aan Malevitsj' Zwart vierkant of Strawinsky's Le sacre du printemps. Godard (Parijs, 1930) is meer dan zijn bentgenoten van de 'Cahiers du Cinéma', Truffaut, Rohmer, Rivette en Chabrol, de geestelijke vader van de moderne film.

De ontmoeting tussen de Gitanes rokende kruimelboef Jean-Paul Belmondo en de Amerikaanse krantenverkoopster ('New York Herald Tribune!') Jean Seberg op de ventweg van de Champs-Elysées vormt een cruciaal moment in de transatlantische kruisbestuiving. De Duitse expressionisten hadden in hun Hollywood-Exil de Amerikaanse 'film noir' uitgevonden. Godard - een verklaard tegenstander van de Franse literaire kwaliteitsfilm, de 'cinéma de papa' - droeg zijn debuut A bout de souffle, een hommage aan de Amerikaanse B-gangsterfilm, op aan de in dit werk gespecialiseerde studio Monogram Pictures. Op zijn beurt zou Godard weer de peetvader worden van postmoderne Amerikanen als Quentin Tarantino en Hal Hartley.

In zijn briljante, op het afgelopen International Filmfestival Rotterdam met de Nederlandse persprijs bekroonde essayfilm From the Journals of Jean Seberg stelt Mark Rappaport dat Belmondo noch Seberg begenadigde acteurs waren. De studies van hun gezichten in close-up, waarbij ze de duim in een ovale beweging rond de lippen bewegen, werken pas goed in de montage.

Die montage is briljant en introduceert de zogenaamde 'jump cut', het verspringen in de tijd binnen een camera-instelling, naar verluidt bedacht door Godard om de film korter te maken.

Nooit eerder was een film zo los, een stad zo documentair aanwezig, een camera (van Raoul Coutard) zo uit de hand gedraaid, een speelfilm zo ontluisterend echt dat er zelfs in geplast werd.

De retoriek van de latere Godard is in A bout de souffle nog nauwelijks aanwezig, al koketteert hij al wel met zijn (cinefiele) belezenheid. Het gebruik van klassieke muziek en jazz is echter nog geen truc, het provoceren lijkt nog uit een oprechte behoefte voort te komen.

Op één punt werd Godards cynisme, volgens de research van Rappaport, getemperd door de weigerachtigheid van Seberg, een 21-jarige 'has been' uit Iowa: nadat haar personage dat van Belmondo aan de politie heeft verklikt en hij dood op straat ligt, wilde Godard dat zij z'n portefeuille zou rollen. Dat weigerde Seberg, wier rol in het licht van 1996 sympathieker overkomt dan in dat van 1960. Belmondo was de macho, van wie ze zich maar op een manier kon ontdoen, nadat ze zwanger van hem was geworden en hij haar toebeet dat ze 'beter uit had moeten kijken'.

Het bijzondere en vernieuwende aan A bout de souffle zit 'm behalve in de vorm ook in het amorele karakter. Nadien hielden films langzaam op een voorbeeldfunctie te vervullen en meer te lijken op het leven zelf, met ademnood en al.

    • Hans Beerekamp