Worm

Als tegenprestatie voor het kosteloos bewonen van de etage boven de vleeshouwerij van haar nicht en aangetrouwde neef maakte mijn grootmoeder zich verdienstelijk door op drukke dagen enige huishoudelijke bezigheden in de vertrekken achter de winkel te verrichten en op hun vijfjarig zoontje Gerjan te passen, dat in de familie als 'moeilijk opvoedbaar' bekend stond.

Zo bleek hij onder andere de gewoonte te hebben op onbewaakte ogenblikken door een kier van de deur die via een korte trap toegang gaf tot de slagerij 'ouwe lul' en 'gek wijf' te sissen naar de nietsvermoedende buurtbewoners die de zaak van zijn ouders in de Zwartjanstraat frequenteerden, of de in stroop gekookte pruimen die hij vanwege zijn lichamelijke gesteldheid bij iedere maaltijd moest nuttigen naar het hoofd van zijn disgenoten te werpen.

Ofschoon zijn buitensporig gedrag zich onder het toeziend oog van mijn grootmoeder zelden voordeed, wist Gerjan toch af en toe aan haar aandacht te ontsnappen, met als gevolg dat zij hem na zijn gewraakte uitlatingen gierend van de pret achter de deur vond weggekropen, terwijl de cliëntèle in de winkel zich bevreemd in de richting van het ongewone geluid wendde, dat goeddeels werd overstemd door de slagen van het hakmes waarmee Albert, de bejaarde knecht, de mergpijpen en soepbenen op het massief houten hakblok in stukken sloeg.

Toen mijn grootmoeder weduwe was geworden en vrijwel zonder een cent was achtergebleven, had de man van haar zuster haar de etage aangeboden met de belofte dat zij er tot haar dood voor niets zou mogen blijven wonen. Gezien de geringe afmetingen van het onderdak, dat bestond uit een kleine kamer met bedstee en een keuken van hooguit twee bij drie meter, stelde het gebaar van haar zwager niet veel voor; te minder omdat hij de naam had zeer kapitaalkrachtig te zijn en reeds op middelbare leeftijd van zijn geld kon gaan leven.

Door deze familierelatie van mijn grootmoeder, en het feit dat zij mij onder haar hoede nam wanneer mijn ouders in bioscopen in en buiten Rotterdam hun werk deden als variété-attractie tussen de stomme films, trokken Gerjan en ik gedurende enige jaren regelmatig met elkaar op. We waren even oud en gingen zowel op dezelfde zondagsschool bij meneer Dollee als op dezelfde bewaarschool van juffrouw Schreuder in de Rembrandtstraat, en hoewel ik Gerjan tegen beter weten in bewonderde om wat hij allemaal durfde, verafschuwde ik hem diep. Als Leen, het slagershulpje, ons per fiets van de bewaarschool haalde, slingerde Gerjan op de bagagedrager opzettelijk zo heftig heen en weer dat de jongen vloekend zijn wankel evenwicht moest zien te bewaren, terwijl ik me in de grote, naar vlees stinkende bestelmand boven het voorwiel vertwijfeld aan het vettig aanvoelende riet vastklemde; en wanneer we op het binnenplaatsje achter de winkel speelden, had hij de gewoonte een van de bleekroze wormen die onder de mat voor het afstapje naar de kelder krioelden, en waar ik doodsbang voor was, tussen duim en wijsvinger op te pakken en dreigend met het kronkelende beest op mij af te stormen. Het plaatsje kreeg er iets afschuwwekkends door, al had ik uit angst voor Gerjans wraak niet de moed het tegen mijn grootmoeder te zeggen.

Op een keer kwam hij op het idee er doktertje te spelen. Uit de kelder, die allerlei slagersgereedschap bevatte, sleepte hij twee kisten, waarop ik moest gaan liggen om me te laten onderzoeken. Omdat ik zijn voornemen intuïtief wantrouwde en ondanks zijn aandringen bleef weigeren, viste hij met de bekende grijns op zijn gezicht de langste worm onder de mat vandaan en zei hem in de halsopening van mijn jurk te zullen stoppen als ik me bleef verzetten. Wetend dat hij geen moment zou aarzelen zijn bedreiging waar te maken, strekte ik me op de kleverige, naar opgedroogd bloed ruikende kisten uit en staarde verstijfd naar Gerjans schriele, witte knieën, die een beetje doorbogen toen zijn tastende vingers als kille wormen langs mijn been omhoogkropen.

Ineens hoorde ik mezelf gillen, en wel zo hartverscheurend dat mijn grootmoeder, na een blik uit het keukenraam, naar beneden kwam gesneld. Intussen had Gerjan zijn hele voorraad lelijke woorden over mij uitgestort, en toen hij bij zijn kraag was gegrepen en ik van de kisten overeind was gesleurd, kregen we een draai om onze oren en werden we zonder een woord de trap op naar boven geduwd.

Ons gedrag veroorzaakte nogal wat opschudding in de familie. Gerjans ouders bestraften hem met het zoveelste pak slaag en urenlange opsluiting in de kelder (hij heeft mij de abrupte verstoring van het doktersonderzoek nooit vergeven), en ik werd zowel door mijn moeder als door mijn grootmoeder met verwijten overladen, terwijl mijn vader geneigd was het verhaal over de worm te geloven, dat Gerjan trouwens hardnekkig bleef ontkennen.

In ieder geval had ik bereikt dat Gerjan zich in het vervolg zonder mij op het plaatsje vermaakte en mijn grootmoeder ons geen seconde uit het oog verloor als we binnenshuis speelden. Bovendien ging hij voortaan zaterdags, wanneer er twee helften van een pasgeslachte koe, die van binnen helemaal van parelmoer was, aan ijzeren haken in de druk beklante winkel hingen, met ons wandelen - altijd langs de Rotte, met de ontredderde, scheefgezakte woonbootjes en het armzalige zigeunerkamp beneden in de modder langs de weg, naar Crooswijk, waar het brede zwarte hek met de smeedijzeren zandlopers, zeisen en doodshoofden toegang tot het kerkhof gaf. Op het oude gedeelte moest ik 'Dag opa' zeggen tegen een platte, grauwe steen met een hele rits namen, en zodra mijn grootmoeder met gebogen hoofd iets begon te prevelen, haalde Gerjan, die op enige afstand tussen de zerken was blijven staan, een zogoed als levenloze worm uit zijn broekzak, die hij grijnzend in mijn richting omhooghield alvorens hem over zijn schouder weg te slingeren.

    • Tonny van der Horst