Talent

Het is bekend: een goede schaker kan een ingewikkelde stelling uit het middenspel in vijf seconden in zich opnemen. Gooi de stukken door elkaar en hij zal ze feilloos terugzetten op de plaats waar ze stonden. En het zijn niet zozeer de stukken die hij neerzet als wel het verband dat hij herstelt. Een goede schaker ziet in één oogopslag het zinvolle verband waarin de stukken staan, hun zwakte, hun sterkte, hun dreiging, hun doelloosheid.

In mijn pogingen althans de indruk te wekken een aardig spelletje schaak te kunnen spelen, heb ik ongeveer vijftig oogopslagen nodig om een ingewikkelde stelling te reconstrueren. Ik ben dus niet alleen geen goede schaker en een uiterst traag waarnemer, maar ook een traag denker. Intelligent is hij die snel van begrip is. Ik bezit ongetwijfeld het vermogen allerlei dingen te begrijpen, maar doe daar soms erg lang over. Ik ben achter het bord niet snel en dus - vooruit - ook niet erg intelligent.

Tot hoever - luidt de pijnlijke vraag - strekt deze domheid zich uit?

Als ik tegen een sterke schaker speel, verveelt hij zich zichtbaar. Ik denk telkens lang na, doe eindelijk de in mijn ogen beste zet, noteer deze en kan gelijk zijn tegenzet noteren, want wat ik na lang turen en nadenken aan slims bedenk, had hij allang bedacht, inclusief zijn antwoord erop. Tegenover zo iemand voel ik mij niet veel waard, als speler niet en helaas ook niet als mens.

Gelukkig zie ik dit drama zich herhalen in hogere schaakechelons. Een hoofdklasser of, nog erger, een topschaker die almaar kansloos verliest voelt zich net zo vernederd als een beginneling - vooral waar hij die nederlagen niet had verwacht. Zo zag ik een jaar geleden het 7-jarige wonderkind Telmour Radjabov uit Azerbajdzjan in groep B (Elo gemiddeld 1600) met gemak van al zijn tegenstanders winnen. Ongedurig als elk kind van zijn leeftijd gunde hij zich nauwelijks de tijd, als hij aan zet was, daarvoor op zijn stoel te klimmen en na te denken. Zijn jeugd gaf mij het idee dat er in zulke schone, ongerepte hersens op voorhand plaats is voor elke stelling, inclusief, telkens, aan beide zijden de sterkste voortzetting, die in zijn hoofd wel moest oplichten als een objectief signaal. Het leek mij toe dat met zo'n keurig ingericht brein de wereld voor je open lag: je zou alles moeiteloos kunnen begrijpen.

Toch ken ik genoeg denkers, ook met een geolied brein, om te geloven dat er van enige correlatie hier geen sprake is. Naarmate een mens ouder wordt is er in zijn hoofd plaats voor allerlei ongeregeldheden die nu eenmaal het menselijk bestaan uitmaken en het genie, buiten zijn specialiteit, reduceren tot een gewone sterveling. In dit opzicht mag Mozart als het prototype gelden. Mozart over wie de dichteres Caroline Pichler in haar memoires 'Denkwürdigkeiten aus meinem Leben' schreef: “Vaak treft men dit aan bij mensen die buiten deze hemelgave over weinig geestelijke vermogens of althans tenminste ontwikkeling beschikken. Mozart en Haydn, die ik goed heb gekend, waren mensen bij wie zich in de persoonlijke omgang volstrekt geen andere bijzondere geestkracht en bijna generlei vorm van geestelijke ontwikkeling van wetenschappelijke of hogere aard openbaarde.”

Wat lees ik dat graag! De speciale aanleg dient tot niets anders dan die ene aanleg te ontwikkelen en te onderhouden. Je mag het allang beschouwen als een geluk dat dat talent erin slaagt tot het einde van z'n leven zijn tuintje van onkruid te vrijwaren.

Een mens heeft het vermogen allerlei dingen te onthouden. Wat hij gisteren geleerd heeft staat hem vandaag nog helder voor de geest. Maar wonderlijker is eigenlijk zijn vermogen te vergeten. Want hoe 'vergeten' werkt weet niemand.

Dat ik alles wat ik tijdens een schaakpartij opsteek de volgende dag weer vergeten ben - wie kan me dat uitleggen? Wat er is, dat kan men vroeg of laat verklaren. Wat er niet is niet - dit verhaal ten spijt.