Onafhankelijke krant is kwetsbaar

De vrije pers moet zich weren tegen de druk van het rendement, betoogde H.J.A. Hofland gisteren bij het aanvaarden van de Gouden Ganzeveer, hem toegekend door de Koninklijke Nederlandse Uitgevers Bond. In zijn dankwoord gold zijn 'diepste dank' een instituut: de krant.

De oorsprong en het voortbestaan van een krant zijn wonderen op zichzelf. Eens zijn er mensen geweest, zijn er geestverwanten bij elkaar gekomen die op eigen gezag, zonder ruggespraak met wie of wat dan ook, hebben besloten dat er zo'n dagelijkse hoeveelheid bedrukt papier moest komen. Op eigen gezag hebben ze gedacht en geschreven, onafhankelijk van wie of wat dan ook. Ni Dieu ni Maître. De redactie werd al denkend, pratend, schrijvend, aan haar krant werkend, een vriendenclub, en dat is zo gebleven. Al coöpterend hebben krant en redactie zich door de jaren heen gehandhaafd. In hun onafhankelijkheid hebben ze zich als krant een hogere, onherhaalbare identiteit verworven. Dit is de krant die ik bedoel.

Dit wonder van de onafhankelijke krant wordt bedreigd. Dat is op zichzelf niets nieuws. Het is bedreigd van het vroegste ogenblik waarop duidelijk werd dat het succes had. De krant vertegenwoordigt hoe dan ook een macht. Hoe meer zijn onafhankelijkheid door het publiek op prijs wordt gesteld, hoe groter de begeerte van een politiek of commercieel belang zal zijn. In deze tijd van ontideologisering en schijnbare depolitisering kunnen we soms de indruk hebben dat - behalve in uitersten - de politieke signatuur er minder toe doet. Maar nog altijd, en misschien meer en meer, zijn politiek en commercie onverbrekelijk verbonden. Nog altijd proberen belangen zich van onafhankelijke kranten meester te maken, niet louter om groter te worden, niet omderwille van de heilige groei, maar omdat die een doel dient. Omvang maakt macht; en macht is verhandelbaar.

Daarbij komt dat het maken van een krant tot de arbeids- en kapitaalintensiefste bedrijvigheden hoort. Misschien zou het beter zijn geweest als na de degelpers de ontwikkeling van de druktechniek tot stilstand was gekomen. En zelfs nu denk ik wel eens dat, als ik zo'n persje had, met de letterkasten en de rest, ik nog mijn eigen krant zou beginnen. Maar in dit fin de siècle ziet de wereld er anders uit. Investeringen, kosten, oplage kunnen worden weergegeven door lijnen. Op het zich voortdurend verplaatsend kruispunt van deze drie lijnen balanceert de onafhankelijkheid. Er zijn sterke en zwakke kranten maar 'de' onafhankelijke krant op zichzelf is een kwetsbaar verschijnsel.

Dit is de kern van de zaak. De kranten van de onafhankelijke pers zijn elkaars concurrenten. Dat hoort zo te zijn. Maar tegelijkertijd delen ze hun kwetsbaarheid. Daaruit onstaat de vraag: moeten de anderen er gebruik van maken als één hunner - door allerlei oorzaken die niets met journalistiek te maken hebben - op zijn kwetsbaarst is? Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat toen mijn krant, NRC HANDELSBLAD, zich in augustus en september van het vorig jaar, in een lastige positie bevond, een aantal vakgenoten er niet in is geslaagd hun onjournalistieke vreugde daarover helemaal te verbergen. Ik hoop dat u mij begrijpt: ik beklaag me daar absoluut niet over. Ik vond het onthullend. Menselijk, al te menselijk. Nu opnieuw een dagblad, Het Parool, in moeilijkheden dreigt te raken verspreidt zich hier en daar dezelfde zuurlucht van het leedvermaak. Dat is jammer omdat zo'n bedreiging niet één krant aangaat maar tenslotte zaak is van de hele onafhankelijke pers. Ik ben van mening dat dit instituut in zijn geheel hoort te worden verdedigd, en dat men vervolgens binnen dit bolwerk elkaar naar believen met alle argumenten te lijf kan gaan. Alle behalve die van het al dan niet aangeklede leedvermaak.

Wat voor de dagbladen en de weekbladen geldt, is niet in dezelfde maar wel vergelijkbare mate ook van toepassing op de uitgeverij. Het primaat van de commercie, de drang naar de bestsellers, de industrie van de hype, het bekende verhaal van de kosten, dat alles dringt naar grotere concentraties. En ook als we bereid zijn, de beste bedoelingen van grotere eenheden niet in twijfel te trekken, blijft daar vaak het primaat van het rendement. Het niet massaal verkoopbare wordt marginaal, en als we niet goed opletten, over de rand gedrongen, in de vergetelheid.

Ik zeg dus niet dat het zo ver is. Ik ben wel van mening dat zowel de onafhankelijke dagbladen als de uitgeverijen die hun toekomst niet als een concern zien, strategiën moeten ontwikkelen om aan de dwang van massaliteit en opperst rendement het hoofd te kunnen bieden. Niet omdat een beperkte omvang op zichzelf een verdienste is, maar omdat die, onder de voorwaarden die ik heb genoemd, de vrijheid van verscheidenheid beter verzekert. En per slot van rekening: een andere vrijheid is er niet.