Natuur en Milieu: Energienota moet over

UTRECHT, 6 FEBR. De regering moet haar huiswerk op het gebied van energiebesparing en duurzame energie overdoen om tegemoet te komen aan de internationale afspraken over bestrijding van het broeikasaffect.

Dat heeft de Stichting Natuur en Milieu aan de Tweede Kamer geschreven, in een reactie op de Derde Energienota die minister Wijers (Economische Zaken) in december uitbracht. Directeur A.J.M. van den Biggelaar van Natuur en Milieu noemde de Energienota vanochtend een teleurstellend stuk, omdat met het beleid van Wijers “geen transactie naar een duurzame energievoorziening” wordt ingezet.

Wijers' beleid voor beperking van de klimaatverandering (onder andere het broeikaseffect) schiet volgens Van den Biggelaar ernstig tekort. Op een aantal punten constateert hij zelfs “bedenkelijke beleidskeuzes”. In het meest optimistische geval komt het beleid van de Energienota uit op een stabilisatie van de emissies van het broeikasgas kooldioxyde (CO) en van het verbruik van fossiele energiebronnen (olie, kolen, gas), aldus Natuur en Milieu. Het verstoken van deze brandstoffen leidt tot uitstoot van CO; gebruik van duurzame energiebronnen zoals zon, wind, waterkracht, biomassa etc, verhoogt deze emissie niet.

Minister Wijers kiest in zijn nota als doelstellingen om tot het jaar 2010 een verbetering van de energie-efficiency met 33 procent te bereiken, en verhoging van het aandeel van duurzame energie in de Nederlandse energievoorziening tot 10 procent. Dat is volgens Natuur en Milieu echter bij lange na niet voldoende om vanaf de eeuwwisseling een vermindering van de CO-emissies met 2 procent per jaar te bereiken, zoals van regeringszijde sinds 1989 wel herhaaldelijk is bepleit, aldus de milieu-organisatie. “Volgens afspraak bij de tweede klimaatconferentie in Berlijn hoort er ook een schets te worden gegeven hoe deze reductie kan worden bereikt.”

Een verbetering van de energie-efficiency van 2 procent per jaar, zoals in 1990 door minister Andriessen, de voorganger van Wijers, was ingezet, is volgens Natuur en Milieu het minimum dat nodig is, maar die doelstelling is de afgelopen jaren teruggeschroefd tot 1,5 procent per jaar. Studies van het Rijksinstituut voor Milieuhygiëne en de Universiteit van Utrecht hebben laten zien dat 2 procent per jaar bij een stimulerend beleid langdurig kan worden volgehouden, en dat technisch gezien ook hogere besparingen haalbaar zijn.

Natuur en Milieu ergert er zich ook aan dat minister Wijers “geen enkele opening” maakt naar een beleid gericht op een minder energie-intensieve economische structuur. Als voorbeeld noemt de stichting de energievretende primaire aluminiumproduktie in Nederland. “Ondanks mogelijkheden voor omschakeling naar secundaire produktie blijft de inzet om met behulp van superlage energieprijzen deze industrietak te laten groeien.”

Onjuist noemt Natuur en Milieu de ruime definiëring van het begrip duurzame energie in de nota-Wijers: behalve 'stromingsbronnen' als wind, zon, aardwarmte, golfenergie etc. worden in dit begrip ook warmtepompen, opslag van energie en vuilverbranding meegenomen. Exclusief deze bronnen blijft er slechts de helft over van Wijers doelstelling: een aandeel van 5 procent duurzame energie in het jaar 2020. Een verdubbeling is nodig, evenals een “sterke uitbreiding van het instrumentarium” van Economische Zaken, meent Natuur en Milieu. Daarbij denkt de stichting aan “het doortastend toepassen van de Wet energiebesparing toestellen”, “strakke eisen” bij de energiebesparing op het gebied van technologie en “forcerende wetgeving”. Verder een sterke uitbreiding van de ecotax op energie, afspraken met de industrie gericht op energie-extensivering, een veel sterkere investeringssteun voor met name zonne-energie en extra geldmiddelen om de technologie voor energiebesparing te stimuleren.