Kosten zijn in kwart eeuw meer dan vervijfvoudigd

In 1972 bedroegen de totale kosten van de gezondheidszorg in Nederland 10,3 miljard gulden, ofwel 6,7 procent van het Bruto binnenlands produkt (BBP). Vorig jaar was dat 55,5 miljard gulden, waarvan ongeveer 12 miljard gulden uit de staatskas komt, ofwel 8,7 procent van het BBP. De ongeveer 5 miljard gulden voor de bejaardenoorden zijn daarbij niet meegerekend.

Het aandeel in de kosten van de verschillende sectoren in de gezondheidszorg is ongeveer gelijk gebleven. Vorig jaar kwam 53,5 procent van de kosten uit de intramurale zorg (ziekenhuizen, inrichtingen en verpleeghuizen) en 41,8 procent uit de extramurale zorg (vrij gevestigde specialisten, huisartsen, tandartsen, leveranciers van geneesmiddelen, maatschappelijke zorg). De stijging van de kosten is in de laatste vijf jaar weer iets gedaald. In de periode 1972-1974 stegen de kosten met 3 procent, in de periode 1990-1994 bedroeg deze stijging 2,6 procent. In het regeerakkoord hebben de coalitiepartijen afgesproken dat ze streven naar een gemiddelde jaarlijkse kostenstijging van 1,3 procent.

Borst bezuinigt dit jaar door alleen nog de eerste negen fysiotherapeutische behandelingen te vergoeden. Ongeveer 700 miljoen gulden moet bij de farmaceutische industrie worden bezuinigd. Borst dwingt door de Wet geneesmiddelenprijzen de industrie prijsverlagingen door te voeren van 20 tot 25 procent op medicijnen waarvan het octrooi verlopen is. De prijs van gepatenteerde geneesmiddelen daalt 7 procent.

Borst zal er eerst alles aan moeten doen om binnen de 1,3-procent-groei te blijven. Alleen in het uiterste geval, als technologische of demografische ontwikkelingen de kosten toch harder doen groeien, kan Borst terug naar minister Zalm (Financiën).

Nederland loopt met de groeicijfers internationaal min of meer in de pas. Het CBS is bezig met een vergelijking van de cijfers tussen Nederland en enkele Europese landen. Een vergelijking tussen de uitgaven aan de gezondheidszorg als percentage van het BBP in 1992-1993 laat zien dat bijvoorbeeld Frankrijk en Duitsland 2,1 procent meer uitgeven dan Nederland. Denemarken geeft 0,3 procent minder dan Nederland uit. Zwitserland geeft precies evenveel uit. De vergelijking is gemaakt na een correctie op de onderling zeer verschillende zorgpakketten. Uit de vergelijking blijkt de specifieke positie van Nederland. Zo kunnen patiënten in België, Frankrijk, Duitsland en Zwitserland rechtstreeks naar de specialist zonder daarvoor eerst de huisarts te hoeven passeren. Ook het hoge percentage thuisbevallingen van dertig procent wordt buiten Nederland niet gehaald. Ook kent Nederland geen kuuroorden als gezondheidsvoorziening. In Duitsland, Frankrijk, Denemarken en Zwitserland zijn de kuuroorden goed voor 1 tot 2 procent van de totale kosten voor de gezondheidszorg.

Nog enkele cijfers. Er waren in 1994 ruim 9,5 miljoen Nederlanders ziekenfondsverzekerden en ruim 4,8 miljoen particulier verzekerden. Het percentage personen dat in een jaar de huisarts consulteert is gestegen van 69 procent in 1981 naar ruim 76 procent in 1994. Dit is voornamelijk het gevolg van een stijging bij kinderen tot 19 jaar. Het percentage consulten bij de patiënt thuis is tussen 1981 en 1994 gedaald van bijna 16 procent naar 10 procent en het percentage telefonische contacten gestegen van bijna 5 procent naar ruim 9 procent. Het percentage personen dat een specialist raadpleegt, steeg in deze periode van bijna 37 procent naar bijna 40 procent. Het percentage in een ziekenhuis opgenomen personen daalde van 7,5 procent naar 6,5 procent. Het percentage mensen dat naar de fysiotherapeut gaat, verdubbelde van 1981 tot 1990 van 7 naar 14 procent, daarna bleef het constant. Het gebruik van de anticonceptiepil steeg tussen 1981 en 1994 van 25 naar 44 procent.