Het Net verliest zijn onschuld

Als we sommige mensen mogen geloven heeft de mens zich sinds het paradijs niet in een staat van genade bevonden zoals nu gegeven is aan gebruikers van het Internet.

In de extra dimensie die de cyberspace biedt, zo wordt betoogd, kan men eindelijk echt vrij zijn. Er is een virtuele wereld van ware democratie geschapen waar geen stem zwaarder weegt dan alle andere, niet gekluisterd door plannen of oekazes van telecommunicatie- of computermolochs - een wereld bovendien waar een vrijheid heerst die aan geen regels gebonden is.

Dat is bedrieglijke onzin die daarom zo schadelijk is, omdat iedere redelijke discussie over technologische veranderingen en sociaal beleid erdoor wordt vertroebeld of zelfs onmogelijk gemaakt.

Wie van een nieuwe technologie betoogt dat die verstrekkende gevolgen heeft, moet in de eerste plaats verklaren waarin die nieuwe technologie verschilt van de reeds bestaande - niet in haar technische mogelijkheden (daarin uit zich het falen van het technologisch determinisme) maar in de maatschappelijke verhoudingen en culturele verschijnselen die haar hebben voortgebracht.

Bij alle galmende retoriek blijft elke poging hiertoe achterwege. Welnu, er is volstrekt niets nieuws in de mondiale maatschappelijke omstandigheden achter deze technologie.

'Het Net' is een soort gecomputeriseerde mengeling van een telefooncentrale en een omroeporganisatie. In zekere zin is het niet revolutionairder dan een wereldwijd netwerk van computers die via telefoonlijnen data uitwisselen, en dat doen computers al sinds ze bestaan, namelijk een halve eeuw.

En wat betreft beweringen over het Internet als het summum van democratie: volgens de Internationale Telecommunicatie Unie bevindt de helft van de mensheid zich meer dan twee uur gaans van een telefoon. We hebben het, om te beginnen, dus alleen over de haves - de have-nots worden compleet genegeerd.

En ook het informatie-rijke deel der wereld is niet zo heel rijk aan deze technologische zegeningen. Het gewoonlijk gehanteerde cijfer van 20 miljoen Internet-gebruikers lijkt nauwelijks op feiten te zijn gebaseerd en wordt in diverse publicaties geraamd op tussen de 300.000 en drie miljoen.

Bovendien, zo stelt het Georgia Institute of Technology (in 1994) in het tot dusver breedst opgezette rapport over het gebruik van het Internet, is van de Internet-gebruikers 90 procent van het mannelijk geslacht, 80 procent blank en 70 procent Noordamerikaan, brengt 50 procent van hen veertig uur per week achter de computer door en heeft 30 procent een academische graad.

Volgens de Internet-mythologie is het net tot stand gebracht zonder vooropgezet plan en zonder structuur door individuele computer-enthousiasten die hun modems aan elkaar koppelden. In werkelijkheid werd het hoofdverbindingsnet, de backbone ('ruggegraat') van het Internet oorspronkelijk opgezet en beheerd door de National Science Foundation, een organisatie van de Amerikaanse overheid. Het Net is een nevenprodukt van de groei van de wereldeconomie, een dienstknecht van het multinationale bedrijfsleven.

De mythologen van het Internet noemen als bewijs van zijn 'onofficiële' en 'democratische' oorsprong de ogenschijnlijke, verrassende afwezigheid van prijsmechanismen en gezagsstructuren. Maar die afwezigheid is meer schijn dan werkelijkheid, en er komt dan ook snel verandering in. Medio 1995 heeft de National Science Foundation de backbone van het Net overgedaan aan drie particuliere telecomminicatie-kolossen, Sprint, American en Pacific Bell. Zij zijn nu de doorlaatposten, of voornaamste toegangspoorten.

Dus wat is nu het potentieel van het Internet voor de democratische meningsuiting? Volgens Andrew Garton in het Australische Brisbane was men eind jaren tachtig in de Verenigde Staten al zo ver gekomen dat het bespieden van personen en het inbeslagnemen van computerapparatuur, en de daarmee gepaard gaande sluiting van elektronische prikborden ('bulletin boards') deed denken aan de communisten-hetze van de jaren vijftig.

Hij noemt daarbij Operatie Sun Devil in mei 1990, toen in de Verenigde Staten in twee weken tijd 28 invallen werden gedaan waarbij 42 computers en 23.000 diskettes in beslag werden genomen. En op het ogenblik overweegt de regering Clinton maatregelen tegen het gebruik van zogenaamde 'encryptie'-programma's voor de beveiliging van de dagelijkse gegevensuitwisseling.

Door wetenschappers is naar voren gebracht dat de Verenigde Staten, waar zich immers de backbone bevindt, vrijwel ongelimiteerde controle op het Net kan uitoefenen. Nu al hebben Internet-aanbieders onder druk van de staat bepaalde gebruikers in zowel Canada als de Verenigde Staten de toegang tot het Internet ontzegd.

In juni 1995 zou America Online, de grootste commerciële Internet-aanbieder voor de afzenders van berichten op de onderzochte mailing-lijsten, volgens berichten per dag zo'n zes gebruikers hebben afgesloten wegens 'Net-misbruik'.

Sinds het begin van de jaren negentig moet een heel scala van groeperingen in de Verenigde Staten opboksen tegen oprukkende controle en privatisering. Het lijdt geen twijfel dat de staat het berichtenverkeer kan volgen.

En niet alleen de staat: volgens krantenberichten hebben in het Verenigd Koninkrijk particuliere beveiligingsdiensten zich aangesloten bij het GreenNet om activisten die ijverden tegen wegenaanleg in de gaten te houden.

De kwestie is deze: al sinds de uitvinding van de drukpers hebben alle communicatietechnologieën een democratiserend potentieel dat, zo leert de geschiedenis, doorgaans wordt onderdrukt. Het gevaar van de actuele Internet-retoriek is dat ze zich uitsluitend richt op de technische mogelijkheden en zo de aandacht afleidt van wat er eigenlijk gaande is.

Vrijheid op het Internet is geen automatisme maar moet, zoals gewoonlijk, langs politieke weg worden bevochten.