Goeroetaal van een sjamaan

Anton Quintana: Het boek van Bod Pa. UItg. Querido, 291 blz. Prijs ƒ 34,90

Bod Pa is een sjamaan. Sjamanen hebben wijsheid in de aanbieding (“Wijsheid is iets heel verschrikkelijks als het je niets oplevert”), sommigen kunnen ook toveren of magische dingen doen, anderen zijn gewoon oplichters. Bod Pa vindt de meeste andere sjamanen oplichters. Hij heeft zelf een afkeer van magische flauwekul, hij maakt ruwe grappen en hij drinkt een behoorlijke borrel. Bod Pa is blind en lelijk, oh wat is die man lelijk. Zijn gezicht zit vol littekens, zijn romp staat scheef op zijn benen, hij hinkt, zijn ogen zijn witte bollen in zijn kop, en hij is een dwerg. Veel meer kan een mens niet hebben. Maar hij heeft twee compensaties: hij is kampioen zwaardvechter, al vijftien jaar ongeslagen, en hij is een sjamaan. Wijs.

In Het boek van Bod Pa beschrijft Anton Quintana, een Nederlandse schrijver met een buitenlands klinkend pseudoniem, hoe Bod Pa vanuit het noorden komt aangereisd op verzoek van de vader van de jongen Perregrin, die een been heeft dat steeds breekt. Perregrin hoort tot een herdersvolk ergens op de Aziatische steppen, in een of andere tijd lang geleden. Dat merk je soms ineens aan dingen die hij niet kent: een kurketrekker of een klok. Dan legt Bod Pa uit wat dat is, een kurketrekker. Of een klok. Dat is heel leerzaam.

Dit is een boek dat zich steeds verschillend voordoet. Het ruikt meteen al naar verre oosterse wijsheid en levenslessen, vooral door de motto's boven de hoofdstukken. Boven het eerste staat bij voorbeeld: “Een reiziger die de eenzaamheid zoekt wordt een vreemdeling op aarde.” Hm.

Dat belooft niet veel goeds. Maar het verhaal dat dan begint, een verhaal over een eenzame man op kale steppen, over een wolf en een raaf en een duel, zo maar geheimzinnig en zwijgend uitgevochten, dat heeft wel wat moois. Het is hard, niet soft, zoals gevreesd. Bod Pa neuriet een liedje : “Hoe mooi begint de dag, fris en roze als de dag van een veldslag.” Een brutaal beeld.

Het verhaal van Bod Pa en Perregrin wordt ons verteld door een soort alwetende verteller. Die schrijft bij voorbeeld: “En wie de ruiter ook mocht zijn, het stond wel vast dat hij onheil kwam brengen.” Dat klinkt ouderwets alwetend - maar de verteller weet van niets want van dat onheil is nooit meer sprake. De verteller zit aldoor met zijn neus vooraan, hij ziet Bod Pa ook als er geen levende ziel in de omgeving is, en vaak doet hij dan alsof hij op een afstandje staat te kijken. Maar soms weet hij weer precies wat er in Bod Pa's hoofd omgaat. Tijdenlang ook kijkt hij door de ogen van de jongen Perregrin, dat doen wij lezers dan ook, maar ineens heeft de verteller weer een oordeel: “Maar ditmaal sprak Perregrin niet alleen hartgrondig maar ook terecht ...” zodat we dat hoofd weer uitgeknikkerd worden.

Quintana, zo lijkt het wel, kon absoluut niet met zijn vingers van zijn eigen verhaal afblijven. De hele tijd moet hij commentaar geven, nog even iets extra duidelijk maken, nog even zeggen wat wij lezers geacht worden ergens van te vinden. Hij laat ons Bod Pa zien, maar hij zegt ook nog eens hoe hij is: “Hij kon zowel cynisch als kwetsbaar zijn, afstandelijk en sentimenteel, meedogenloos en gevoelig.” Wie dat na tweehonderd bladzijden nog eens allemaal op moet schrijven heeft of weinig vertrouwen in de kracht van zijn vertelling tot dan toe, of in het begrip van zijn lezers.

Alles aan dit boek is wisselvallig. Niet alleen het vertelperspectief, ook het taalgebruik (“Hij is belangrijk voor me”), de opbouw van de personages (details uit het verleden van Bod Pa die geen enkel vervolg krijgen) en vooral het verhaal, dat van een vertelling verwordt tot een opeenstapeling van levenslessen.

De laatste honderd bladzijden wordt er nog uitsluitend bij een kampvuur wijsgerig gesproken over dat de jongen zijn hart mee moet geven aan een uil, zoals de oude man zijn hart aan een wolf heeft gegeven, - jaa, symboliek - er wordt beweerd dat “wie liegt of de waarheid verzwijgt, het spreken aan zijn lichaam overlaat” en Bod Pa weet ook: “Sterven is alleen afschrikwekkend voor wie niet echt geleefd heeft”; “Roem is een mooi pak dat anderen je aantrekken”; “Macht Verplicht” - oh hemel, wat verschrikkelijk.

Dit boek is een ontspoord boek. Er zitten verhalen in en gedachten, er is een auteur aan het schrijven geweest die het heus wel kan, maar het geheel is een rommeltje. En vooral is het geheel een verzameling wijsheden in moderne goeroetaal, ondanks pogingen van de auteur om er iets beters van te maken.

    • Marjoleine de Vos