Gemeente moet van vuilnis afblijven

Op lange termijn leidt privatisering van de afvalinzameling alleen maar tot voordelen voor burgers en bedrijven. Dit is in het kort ons antwoord op het artikel 'Vuilnis is gemeentaak' van ir. A.A.T. Doppenberg, voorzitter van de branchevereniging voor afval- en reinigingsmanagement (NVRD), in de krant van 30 januari.

Doppenberg wil gemeentelijke monopolies laten bestaan met argumenten die niet valide zijn. Juist de inefficiëncy van deze monopolies leidt tot tarieven voor burgers en bedrijven die veel te hoog zijn. Op alle mogelijke manieren proberen gemeentelijke afvalinzamelaars deze inefficiënties te verbergen en hun eigen markt af te schermen.

Daarbij wordt niet geschroomd publieke taken en bevoegdheden, zoals vergunningverlening voor de inzameling van bedrijfsafval, te misbruiken voor de bevoordeling van de eigen uitvoerende activiteiten. Ter bescherming van de eigen dienst probeert een aantal gemeenten concurrentie door derden tegen te houden via het weigeren van een inzamelvergunning.

Ook op andere manieren heeft de gemeentelijke dienst oneigenlijke voordelen. Zo moeten particuliere ondernemingen over hun diensten BTW in rekening brengen. Gemeenten en gemeenschappelijke regelingen zijn over hun diensten geen BTW verschuldigd.

Tariefvoordelen voor overheidsinstanties bij de verbranding van hun huisvuil zijn niet ongebruikelijk. Ook bij de stortplaatsen, die voor het merendeel in overheidshanden zijn, worden dergelijke voordelen genoten. In dit verband kan tevens worden gewezen op het fenomeen dat gemeentelijke diensten die zich met meer dan huisvuilinzameling bezighouden vaak het zogenaamde kantoor-, winkel- en dienstenafval meenemen onder het predikaat huisvuil. Volgens de regels zou dit als bedrijfsafval gekwalificeerd moeten worden, waarvoor bij de eindverwerker een hoger tarief moet worden betaald.

Op 18 mei 1995 deed de president van de Arnhemse rechtbank uitspraak in een kort geding dat afvalverwijderaar BFI had aangespannen tegen de gemeenten Arnhem en Rheden. Inzet van het geding was de opdracht voor de afvalinzameling in beide gemeenten, nu uitgevoerd door ARA Holding. Deze naamloze vennootschap is medio 1994 opgericht door Arnhem en Rheden door fusie en verzelfstandiging van gemeentelijke diensten van beide gemeenten. BFI vocht ondermeer de concessie aan waarmee beide gemeenten de afvalinzameling hebben opgedragen aan ARA. De rechter stelde BFI in het gelijk. Naar het oordeel van de rechter had de uitvoering van deze taak confom de EU-richtlijn inzake de openbare aanbesteding van 'diensten' aanbesteed moeten worden.

Een duidelijker voorbeeld van de inefficiëntie van gemeentelijke monopoliediensten is wellicht niet te vinden. Waarom zijn de gemeenten anders zo bang voor concurrentie? Dit wordt bevestigd door onderzoek van het Centraal Bureau voor de Statistiek uit 1993. Daaruit blijkt dat de kosten voor afvalinzameling door gemeentelijke diensten aanmerkelijk hoger uitvallen dan die van particuliere inzamelbedrijven.

Uit de reeks artikelen op deze pagina's over de relatie overheid-markt valt een rode draad te trekken: overheid, maak je sterk voor en richt je op een adequate uitvoering van de publieke taak. Op het gebied van afvalverwijdering is dit een goede beleidsontwikkeling, adequate regelgeving en een goede organisatie van de markt. De daadwerkelijke uitvoering hoort daar niet bij: de afvalinzameling zelf wordt het meest efficiënt door particuliere ondernemingen in een (internationaal) concurrende markt gedaan.

Hòe die markt georganiseerd moet worden dient onderwerp van discussie te zijn, niet òf dat moet gebeuren. Daarbij kunnen vragen aan de orde komen hoe te realiseren dat overheidsdiensten uiteindelijk zelfstandig en voor eigen rekening een eerlijke concurrentie op een open markt aan kunnen gaan. Een goed voorbeeld biedt het particuliere busbedrijf in Limburg: hier is sprake van een win-win-situatie voor de klanten, de werknemers en de belastingbetaler.

    • Ing. A.P.P. Donders
    • A.P.P. Donders
    • G.P.J. Janssen