Elfstedentochten

In de vermaarde winter van 1890 reed de toen achtjarige Joris van den Bergh op schaatsen van Utrecht naar Gorkum en terug. Hij zou later dè sportjournalist van Nederland worden en had dolgraag een Elfstedentocht gereden. Hij trainde er voor in 1910, 1911 en 1912. Of het gelukt is, weten wij niet, maar in 1929 volgde Joris de tocht als journalist en schreef er in de NRC onder meer dit over: “Het is maandagmiddag, de dag vóór de wedstrijd. Wij zitten in hotel De Klanderij, waar het bestuur van de Elfstedenvereniging vergaderd heeft en wij maken wat kopij. Dan treden drie flinke jonge kerels binnen. Het zijn Pronk, Westra en Jongert. De laatste herkent ons en komt naar ons toe. 'Meneer', zegt hij, 'wij hebben nooit zo'n wedstrijd over zo'n afstand meegereden. Wat zouden wij nu voor eten meenemen? Wij kunnen het er maar niet over eens worden'.” Joris zegt dan: “Geen brood, Jongert. En vooral geen brood met korsten. Een mens die zich langdurig inspant, krijgt dik speeksel en dan wil hard geworden boord met een korst er moeilijk in. Zo min mogelijk vaste spijzen moet je eten. Neem nu alleen mee enige dobbelsteentjes vette kaas, een paar sneetjes verse zachte koek en dan vooral een zak met grote rozijnen.” Woensdag na de tocht op het station in Leeuwarden komt Jongert naar de journalist toe. “Zeg meneer, het was fijn met die rozijnen.” Een prima verhaal. Ik had slechts verlangd naar het moment waarop Jongert dat afstandelijke 'meneer' achterwege had gelaten.

Die Cor Jongert had nog in 1954 mee willen doen, maar lag toen, door ziekte geveld, te bed. Twee jaar later was Jongert toch weer van de partij, niet als wedstrijdrijder, maar als deelnemer aan de tocht. Hij startte om even 6 uur 's morgens en was om half 6 's middags terug. Onderweg werd hij vaak herkend en toegejuicht. Hij spande zich naar eigen zeggen niet al te erg in, maar passeerde diverse wedstrijdrijders. Maar de Elfstedentocht kent ook verliezers. In 1954 strompelden tegen middernacht (het sluitingsuur) nog een paar volkomen uitgeputte figuren van het ijs, maar voor de meesten bleek de schuin omhoog lopende opgang naar de straat een niet te nemen hindernis. Eén van hen was een minuut vóór middernacht van het ijs gestapt, maar had zo lang werk om binnen te komen, dat een jongen hem de deelnemerskaart uit handen griste en er mee naar binnen holde. “De kaart moet persoonlijk worden ingeleverd”, sprak de organisatie op strenge toon. Maar de aanblik van deze stumpers, die 's morgens later waren gestart omdat hun bus, waarmee zij naar de startplaats vervoerd werden, defect was geraakt, maakte de harten van de commissieleden murw. De kaarten werden geaccepteerd.

In 1940, vlak voordat de Duitsers ons land bezetten, was er weer een Elfstedentocht. Bij 10 graden vorst, een felle noordoostenwind en zware sneeuwjachten. Niemand won, want het Pact van Dokkum, gesloten tussen de vijf die al zo lang op kop lagen (Piet Keizer, Auke Adema, Cor Jongert, Sjouke Westra en Dirk van der Duim) betekende dat er vijf winnaars waren. Dat is uiteindelijk ook gebeurd, maar pas nadat Adema, in het zicht van de pompbleddenvlag op de Oldenhove op het laatste moment was ontsnapt. Het werd hem te machtig. Overigens was de finishstreep op de Leeuwarder gracht onzichtbaar geworden door opdringend publiek. Er kwam onderling ruzie van, maar alles werd gesust en Auke Adema nam het jaar daarop revanche op iedereen, inclusief zichzelf, door in z'n eentje te winnen.

Toen ik hem begin jaren zestig opzocht voor een documentaire over de historie van de Elfstedentochten, liet hij zich gaarne interviewen. Maar toen hij hoorde, dat Piet Keizer ook in dat programma zou verschijnen, steeg er een lichte razernij in hem op. “Dan wil ik er niet in”, riep hij. Want tussen die twee was het kennelijk nooit meer goed gekomen. Sorry, Auke, ik heb me niet laten overdonderen. Ook een halve Fries kan stijfkoppig zijn.

    • Herman Kuiphof