Deel van nieuwkomers verlaat stad snel, ze hebben niets te verliezen; Antillianen en Arubanen staan buiten Groningse samenleving

GRONINGEN, 6 FEBR. Een belangrijk deel van de Antillianen en Arubanen in de stad Groningen heeft nauwelijks binding met de samenleving. Zij zijn maatschappelijk 'op drift' geraakt en verkassen snel naar andere plaatsen in het land, omdat ze naar hun eigen oordeel niets te verliezen hebben. Van de Antillianen en Arubanen in Groningen leeft 43 procent op een bestaansminimum, de werkloosheid onder de beroepsbevolking is met 53 procent het hoogste van de allochtone bevolkingsgroepen.

Dit blijkt uit een onderzoek van de politie, hulpverleningsinstellingen en onderzoeksbureau Maatstaf uit Groningen. Volgens onderzoekster A. Jorna is de situatie in andere steden waarschijnlijk niet veel anders. Het onderzoek is opgezet uit zorg over een toenemende drugsoverlast en vermoedens van een groeiende criminaliteit onder de Antilliaanse en Arubaanse bevolking.

Deze vermoedens bleken te kloppen. Antillianen en Arubanen plegen in vergelijking met andere allochtone groepen de meeste criminaliteit. In 1994 begingen zij 8,2 procent van alle delicten in Groningen, terwijl ze 1,2 procent van de Groningse bevolking uitmaken. Een jaar eerder waren Antillianen en Arubanen voor 7,6 procent van de delicten verantwoordelijk. Van de bijna 2.000 Antillianen en Arubanen zijn 351 bekenden van de politie. Volgens politiegegevens gaat het vooral om drugshandel, geweldpleging en winkeldiefstal.

Antillianen en Arubanen zorgen vooral in de wijken Beijum, Lewenborg en Indische Buurt voor overlast. De politie heeft zich de laatste jaren in toenemende mate op de groep gericht. Met het zogeheten Bon-swa Team zijn de hoofdrolspelers van de Antilliaanse drugshandel aangepakt. De overheersende rol van Antillianen in de kleinhandel van harddrugs is volgens de politie nu teruggebracht tot normale proporties. De politie zegt dat in Groningen geen sprake is van zwaar georganiseerde criminaliteit door Antillianen en Arubanen.

“Het onderzoek bevestigt een beeld dat we al hadden, maar je wordt er niet bepaald vrolijk van”, zegt wethouder H. Pijlman (minderheden). Pijlman is vooral geschrokken dat velen nauwelijks binding hebben met de Nederlandse samenleving en zelfs weinig contacten hebben met de Antilliaanse en Arubaanse gemeenschap. “Als gemeente kunnen wij dit probleem niet meer alleen tackelen.”

Hij pleit vooral voor een betere aansluiting van het Antilliaanse en Nederlandse onderwijs. Er moet in het onderwijs volgens hem meer rekening gehouden worden met het gegeven dat grote groepen jongeren naar Nederland komen, die door de slechte aansluiting in het verkeerde circuit terechtkomen. “Niet dat er daar weer Nederlandse aardrijkskunde les gegeven moet worden. Ik denk bijvoorbeeld aan uitwisseling van docenten.” Volgens Pijlman biedt een onderzoek als deze aanleiding om een “zakelijke discussie” te voeren over minderhedenbeleid. “Die is nooit goed gevoerd. Alleen rond de verkiezingen is er iets over geroepen.”

De sterke mobiliteit onder de Antilliaanse bevolking maakt het voor de hulpverlening moeilijk contact te krijgen. In 1994 was van de 15- tot 65-jarige Antillianen en Arubanen 13 procent nieuw in de stad. Bijna eenzelfde percentage is dat jaar vertrokken. Onder de andere allochtonen is het aandeel nieuwkomers niet veel kleiner, maar deze groepen vertrekken minder snel. Groningen is wat betreft instroom van Antillianen en Arubanen de vijfde stad van Nederland.

“Je begint met een project voor vijfhonderd mensen en een jaar later zijn er driehonderd vertrokken”, zegt voorzitter C. Devere van de Antilliaanse en Arubaanse organisatie FORSA. Volgens haar komt dit omdat de bevolking op de Antillen ook vrij snel het vliegtuig naar een ander eiland pakt en in Nederland alleen binding met familieleden heeft die vaak door het hele land wonen. “Met een uitkering, zonder vaste baan of eigen huis heb je niets te verliezen om het ergens anders te proberen.” Devere ziet het als belangrijke opgave om mensen aan hun woonplaats te binden, zodat ze meer mee gaan doen aan wijk- en schoolactiviteiten.

Volgens onderzoekster Jorna is de mobiliteit te verklaren doordat Antillianen en Arubanen vrij recent in groten getale naar Nederland zijn geëmigreerd. Vooral in de jaren 1985-1988 vertoonde de immigratie een sterke toename. “Antillianen en Arubanen hebben zich nog minder een plaats in onze samenleving verworven dan bijvoorbeeld Surinamers.”

De hulpverlening komt volgens Devere ook moeilijk met veel Antillianen en Arubanen in contact omdat zij liever zelf hun problemen oplossen. Bovendien is de drempel hoog om naar “een witte instelling” te stappen, vooral door taalproblemen. Volgens haar wordt dit probleem meer en meer erkend door mensen uit de eigen groep als hulpverlener aan te stellen. De onderzoekers pleiten er onder andere voor om Antilliaanse en Arubaanse werklozen meer te laten profiteren van Melkert-banen.