Burgemeesters: niet elk detail opsporing in wet

DEN HAAG, 6 FEBR. Het korpsbeheerdersberaad vindt dat de opsporingsmethoden van de politie niet te gedetailleerd in wetgeving moeten worden vastgelegd.

De 25 burgemeesters die de politiekorpsen beheren, vrezen dat een te strakke wetgeving de bestrijding van de zware georganiseerde criminaliteit zal belemmeren.

Dit zegt burgemeester E. d'Hondt van Nijmegen, voorzitter van het beraad, in een reactie op het rapport van de commissie-Van Traa. d'Hondt is voorstander van een algemene normering van de opsporingsmethoden. Die methoden moeten in de praktijk wel zorgvuldig kunnen worden getoetst, aldus De Nijmeegse burgemeester.

d'Hondt betwijfelt sterk of elke afluistermethode en technisch middel specifiek in de wet moet worden vastgelegd, omdat daarmee iedereen precies op de hoogte is van de werkmethoden van de politie. Voor de korpsbeheerders is het van belang dat de politie kan blijven doorwerken bij de bestrijding van de zware, georganiseerde criminaliteit. “Voor dit moment kunnen strakke regels werkbaar lijken, maar de politie moet ook over drie, vier jaar er nog mee uit de voeten kunnen”, aldus d'Hondt. De korpsbeheerders willen snel met alle betrokkenen overleggen welke opsporingsmethoden wettelijk moeten worden gekaderd en welke niet.

De enquêtecommissie, die vorige week zijn eindrapport uitbracht, vindt dat alle opsporingsmethoden van politie en justitie in de wet moeten worden verankerd.

De commissie heeft gisteren toegegeven dat er een fout is gemaakt in het eindrapport. In het rapport staat dat een Turks gemeenteraadslid in Arnhem zijn huis als opslagplaats liet gebruiken door een criminele organisatie “omdat de kans dat de politie bij een gemeenteraadslid zou binnenvallen, klein werd geacht”. Het blijkt echter niet te gaan om een raadslid, maar om iemand van Turkse afkomst die kandidaat was voor de gemeenteraad. De betrokken persoon is niet in de Arnhemse raad terecht gekomen, hoewel hij op een verkiesbare plaats stond. Hij kwam uit een gemeente buiten Arnhem. De commissie zegt de fout “ten zeerste” te betreuren.

Ook in de bijlagen bij het eindrapport staan passages die gecorrigeerd worden. Het gaat om een passage waarin melding wordt gemaakt van het vermoeden van banden van een Koerdisch raadslid met heroïnehandelaren. Het ging echter om een Turks raadslid, dat niet is herkozen. Ook over deze persoon doet de commissie geen nadere mededelingen. Het eindrapport en de bijlagen worden via een nota van wijziging gecorrigeerd. De vraag hoe de fouten in het rapport zijn gekomen wil de commissie niet beantwoorden.