'Vermisten uit Srebrenica zijn zeker dood'

SREBRENICA, 5 FEBR. De zeven- tot achtduizend moslim-mannen die sinds de val van Srebrenica worden vermist, zijn “met zekerheid dood”.

Dat hebben Bosnisch-Servische autoriteiten gisteren Elizabeth Rehn, de speciale VN-gezant voor mensenrechten in ex-Joegoslavië, verzekerd. Rehn bezocht de voormalige moslim-enclave in het oosten van Bosnië.

Rehn heeft in en rond Srebrenica geen massagraven aangetroffen en daar ook niet intensief naar gezocht. De Bosnisch-Servische autoriteiten vertelden haar dat “duizenden moslims” die sinds juli vorig jaar, toen Srebrenica door de Bosnische Serviërs werd ingenomen, worden vermist, niet meer leven. Ze zouden zijn gedood in gevechten met de Bosnische Serviërs of in gevechten onderling, naar aanleiding van ruzies over de vraag of ze zich moesten overgeven of niet.

Rehn zei dat het “naïef zou zijn” geloof te hechten aan de uitleg van de Bosnisch-Servische autoriteiten over de manier waarop de vele duizenden vermiste mannen uit Srebrenica om het leven zijn gekomen, maar wel te vrezen dat de vermisten inderdaad dood zijn. De Bosnische Serviërs hadden haar ervan overtuigd dat ze geen moslim-mannen uit Srebrenica meer gevangen houden.

Rehn, die voor haar reis naar Srebrenica in Tuzla uitvoerig met gevluchte vrouwen uit Srebrenica had gesproken, bezocht in de voormalige enclave onder andere een voormalige supermarkt en een lagere school, die volgens de vluchtelingen uit Srebrenica nog steeds als gevangenkampen voor mannen worden gebruikt. Daarvan bleek bij het bezoek van Rehn echter niets. Ze trof ook geen aanwijzingen aan dat deze locaties als detentiecentra waren gebruikt.

Rehn - die vorig jaar Tadeusz Mazowiecki opvolgde als speciaal gezant van secretaris-generaal Boutros-Ghali - bezocht ook een heuvel in de buurt van het dorp Kravica, enkele kilometers van Srebrenica. Hier trof ze rond twintig nog onbegraven lichamen van moslim-mannen aan. Een daarvan was gekleed in een militair uniform en leren laarzen, een ander droeg een spijkerbroek en andere burgerkleding. Op het grasveld werden persoonlijke bezittingen gevonden als een hoop kleren, een kapotte plastic wekker, een nylon tas, een doorweekt aantekenboekje en een handvol bestek. Of het hier - zoals de Bosnische Serviërs zeiden - om gesneuvelde moslim-soldaten ging of om moslim-burgers, kon Rehn ter plaatse niet met zekerheid vaststellen. Ze maakte wel melding van haar “verbazing” dat de Bosnisch-Servische autoriteiten pas een dag eerder de toegang tot het terrein in Kravica hadden vrijgegeven en dat ze nooit melding hebben gemaakt van de aanwezigheid van onbegraven lichamen.

Rehn drong er gisteren bij de Bosnisch-Servische autoriteiten op aan internationale onderzoekers toegang te verschaffen tot alle locaties waar massagraven worden vermoed. “Elk lichaam dat kan worden geïdentificeerd is één naam minder op de lijst van vermisten. Dat is ook in het belang van de autoriteiten van de Servische Republiek [in Bosnië]”, zei ze. (Reuter, AP)