Schönberg loutert Uchida in Schubert

Concert: Mitsuko Uchida, piano. Gehoord: 2/2 Concertgebouw Amsterdam. Volgende concert: 28/2.

Tijdens het eerste recital van haar tweedelige Schubert-Schönberg cyclus confronteerde de Engels-Japanse pianiste Mitsuko Uchida het vrij-atonale idioom van Schönbergs Drei Klavierstücke op. 11 uit 1909 met de aangrijpende romantiek van twee van de drie Pianosonates die Schubert in september 1828, twee maanden voor zijn dood, componeerde. Zo omarmde een niet langer weifelende Schubert, wiens laatste sonates van een Beethoveniaanse grandeur getuigen, het compacte expressionisme van de nog zoekende Schönberg.

Om de vloeiende welsprekendheid van Schubert optimaal uit te spelen tegen de hoge concentratiedichtheid van Schönberg, moet een pianist het extreme niet schuwen. Gekleed in een zwart-zijden variant op het judopak, opende Uchido dan ook met een felle aanval op de eerste maten van Schuberts Sonate in c, D 958. Daarin staat forte en staccato voorgeschreven, maar in de geëxalteerde lezing van Uchida veranderden Schuberts tragische openingsakkoorden in een soort Oestvolskaja-achtige explosies. Terecht volgde bij de inzet van het tweede thema een sobere en weemoedige lyriek, die als altijd bij Schubert in het verloop van het stuk steeds overschaduwd raakte door 'donkere wolken'.

Het contrast tussen beide gemoedsuitdrukkingen dreef Uchida echter dusdanig op de spits. Met nogal bonkige overgangen en in de fortes een stroeve klank deed ze afbreuk aan de innerlijke samenhang van Schuberts Sonate in c.

Maar tijdens haar geïnspireerde vertolking van Schönbergs Drei Klavierstücke, op. 11, die de componist zelf omschreef als 'zo homogeen van samenstelling dat het in iedere kleinigheid zijn waarste, innerlijkste wezen onthult', versmolt Uchida op sublieme wijze met de essentie van de noten. Zo onderscheidde de complexe, nog vaak voor ontoegankelijk versleten Schönbergzich van Schubert door een intense zeggingskracht, waarop het publiek met een opmerkelijke concentratie reageerde.

Alsof ze door Schönberg was gelouterd, vertolkte Uchida daarna ook Schuberts Sonate in A, D 959 met een verfijnde intensiteit en een flexibel inlevingsvermogen. De overdreven contrasten en het nogal schrille toucher van haar eerste Schubert-vertolking maakten plaats voor een mildere klank en vloeiende overgangen. Ditmaal werd Schubert door Uchida benaderd als de geniale maar wereldvreemde dromer-in-noten: naïef en ontwapenend, hartstochtelijk en teder, boordevol fantasie maar wanhopig kwetsbaar.

    • Wenneke Savenije