Penose scherpt op vechtsportschool vaardigheden aan

In het rapport-Van Traa wordt de relatie beschreven tussen sportscholen en criminaliteit. Inzake vechtsportscholen.

ROTTERDAM, 5 FEBR. De opkomst van het professionele criminele geweld is niet los te denken van “de groeiende populariteit van vechtsporten”, meent criminoloog F. Bovenkerk. Vanaf de jaren zeventig is in Amsterdam sprake van een toename van gewelddadigheid, zo blijkt uit slachtofferenquêtes, politiecijfers en het aantal meldingen bij de GG en GD.

Dat schrijft Bovenkerk in het Rapport-Van Traa Inzake opsporing. (Bijlage XI, Deel IV) Er ontpopte zich, volgens Bovenkerk, “een gewelddadigheid die hard is en professioneel” en verweven met sportscholen.

Vechtsportscholen bieden niet alleen trainigsfaciliteiten aan mensen die streven naar het ideaal van 'gecontroleerd geweld'. Verscheidene vechtsportbonden worden in Nederland niet erkend door de Nederlandse sportfederatie. Onder meer bij de kickboksers en de freefighters is volgens Bovenkerk 'controle' niet goed geregeld. Jongeren die een loopbaan ambiëren als uitsmijter bij een disco of nachtclub vinden op dergelijke vechtsportscholen een mogelijkheid hun vaardigheden aan te scherpen. Op het terrein van de illegale geweldsuitoefening, zoals 'bescherming' van horecagelegenheden, zijn met name op de Amsterdamse Wallen de afgelopen decennia grote carrièremogelijkheden geschapen.

Zowel in termen van prostitutie als van pornografie is sinds de jaren zestig de seksbusiness in Amsterdam enorm gegroeid. Door de in die jaren bevochten tolerantie ten aanzien van seksualiteit kon een morsige hoerenbuurt uitgroeien tot een internationaal beroemde toeristische trekpleister. Tegelijkertijd kwam een bloeiende drugshandel op gang en werd Amsterdam brandpunt van zowel nationaal als internationaal georganiseerde criminaliteit.

De belangrijkste figuur van de Amsterdamse penose, 'Zwarte Jopie' (Joop de Vries), nam in de jaren zeventig jongens van vechtsportscholen in dienst. Zij hadden de taak de gracht waar De Vries zijn seksimperium had vrij van junkies en zakkenrollers te houden. Een van de eersten die hij aanstelde, als portier bij Casa Blanca op de Zeedijk, was Jon Bluming. Bluming, Korea-veteraan en veelvoudig judo- en karatekampioen, wordt allerwege als de 'vader' van de karatebeoefening in Nederland gezien. Alle grootheden op vechtsportgebied hebben bij hem getraind.

Ook de legendarische drugshandelaar Klaas Bruinsma, die in 1991 voor het Hilton-hotel werd doodgeschoten, omringde zich met 'sportschooljongens'. Zijn bodyguards hielden er eigen illegale activiteiten op na, zoals de exploitatie van prostituées, 'bescherming' van horecagelegenheden en het gewelddadig incasseren van schulden. Van een van deze bodyguards, André Brilleman, werd in 1985 het lijk in een olievat gevonden. Brilleman, destijds wereldkampioen kickboksen, was doodgeschoten en in een ton gepropt. Vervolgens was het vat volgestort met cement. André Brilleman was een van de stervechters van een Amsterdamse sportschool die door Bovenkerk als 'berucht' wordt omschreven.

Deze sportschool leverde een aantal wereldkampioenen op die niet alleen in het kickboksen hun sporen verdienden. Twee kampioenen gingen voor overvallen de gevangenis in. Een derde wereldkampioen, van wie binnen politiekringen wordt gezegd dat hij in de hasjhandel op Marokko zat, is een paar jaar geleden spoorloos verdwenen. Een andere voormalige kickbokskampioen werd vorig jaar veroordeeld omdat hij deel uitmaakte van een omvangrijke hasjsmokkelorganisatie.

De populariteit van vechtsporten is volgens de criminoloog voor een deel te danken aan de populariteit van vechtsportkampioenen zoals de Utrechtse judoka Anton Geesink, de karateka Jon Bluming, freefighter Chris Dolman en judoka Willem Ruska, alle drie uit Amsterdam.

In het hoofdstuk 'Corruptie bij de politie' schrijft Bovenkerk over drie Amsterdamse politiemensen die familie van elkaar zijn en bij een sportschool trainden die werd geleid “door een ondernemer die in een onderzoek van een ander grootstedelijk politiekorps bekend staat als een belangrijke zakenrelatie van het in cocaïne handelende Colombiaanse Cali-kartel”. De drie politiemensen werden buiten functie gesteld toen bleek dat de sportschoolhouder 'ontijdig' beschikte over informatie over de onderschepping van een cocaïnetransport. “Het politieberoep”, aldus Bovenkerk, “nodigt uit tot het tonen van mannelijke waarden. Macho's voelen zich er makkelijk toe aangetrokken. Zij bezoeken sportscholen en dat kunnen dezelfde scholen zijn als waarbij de Amsterdamse penose traint”. Een Amsterdamse oud-politieman bevestigt dat er in de jaren tachtig een macho-cultuur heerste op het politiebureau. “Soms werden tafels en stoelen opzij gezet en kreeg iemand die was opgepakt de gelegenheid te laten zien dat hij een man was”. Van politiezijde vocht iemand die ook heeft getraind bij de “beruchte” Amsterdamse sportschool. Hij vertelt dat de politieleiding hem en zijn collega's naar aanleiding van een incident te kennen gaf dat zij de banden met hun sportschool moesten verbreken.

“We moesten een keer optreden tegen een knokploeg die krakers uit een huis had geslagen. Bij het bewuste pand bleek dat de knokploeg bestond uit jongens met wie wij op kickboksen zaten. Toen de baas dat hoorde zei hij dat we moesten kiezen tussen het korps of de sportschool”, aldus een inmiddels ook uit het korps getreden politieman.

Een voormalig CID-rechercheur is nog steeds actief binnen het kickboksen. Hij treedt onder meer op als scheidsrechter bij grote kickboks-gala's. Bang voor 'corrumptieve contacten' is hij niet. Op een grote wedstrijd zei hij over de vechtsportliefhebbers op de VIP-tribune langs de ring: “Die hebben nog eeuwen gevangenisstraf te goed.”