Militairen in Guinee beëindigen muiterij

CONAKRY, 5 FEBR. Opstandige militairen in de Westafrikaanse staat Guinee hebben zaterdag hun muiterij beëindigd. Vrijdag waren ze hun actie begonnen uit protest tegen de in hun ogen te lage soldij die, aldus de militairen, ook nog niet eens op tijd uitbetaald wordt. Volgens bronnen in de hoofdstad, Conakry, kwamen bij de muiterij ongeveer vijftig Guineeërs, voornamelijk burgers, om het leven. In Conakry was het gisteren kalm. Het vliegveld van de stad, dat vrijdag gesloten werd, ging gisteren weer open.

De militairen beëindigden hun actie nadat de Guinese president, Conté, had toegezegd om met hen om de tafel te gaan zitten. Tijdens dat overleg, gisteren, zei de president dat hij nu zelf ook minister van Defensie is. “Ik doe een beroep op u uw salaris van januari te accepteren”, aldus de president. “Met ingang van februari krijgt u een salarisverhoging.”

De president, die in zijn generaalsuniform de militairen toesprak, beloofde de militairen goed te zullen voeden. “Ik heb geld om rijst te kopen als dat er tenminste nog is in de winkels die u hebt geplunderd.” In zijn toespraak herriep Conté zijn eerdere beschuldiging dat de militairen, onder wie leden van de presidentiële garde, er op uit waren geweest de macht te grijpen.

Conté kwam in 1984 via een militaire staatsgreep aan de macht, nadat de eerste Guinese leider na de onafhankelijkheid in 1958, Sekou Touré, was overleden. In 1993 won Conté de eerste meer-partijenverkiezingen in het land. Volgens de Guinese oppositie was er bij deze verkiezingen, die gekenmerkt werden door vechtpartijen tussen voor- en tegenstanders van Conté, sprake van fraude op grote schaal.

Guinee is een van de armste landen ter wereld. Zijn voornaamste exportprodukten zijn bauxiet en aluminium. Het land werd zwaar getroffen aan het begin van de jaren negentig door de daling van de prijs van aluminium op de wereldmarkt. Sinds 1985 onderneemt Conté, op instigatie van de Wereldbank en het Internationale Monetaire Fonds (IMF), pogingen om de rol van de overheid in de economie terug te dringen en de particuliere sector te stimuleren. (AP, AFP, Reuter)