Mannen van Sanya, de onderkant van Tokio

TOKIO, 5 FEBR. In de donkere ochtenduren warmen mannen zich hier en daar aan vuurtjes in de steegjes rond de 'Brug der Tranen'. Anderen vinden warmte in de eerste rijstewijn van de dag. Het is half vijf 's ochtends in Sanya, de onderkant van Tokio. De dag begint vroeg voor de duizenden mannen die hier op straat wachten op de koppelbazen. Enkele goedkope, morsige eetkraampjes hebben hun luiken al geopend. In een steeg stallen handelaren hun waar op straat uit: glitterhorloges, pornovideo's en oude kleren. Tegen de tijd dat de zon opkomt en het 'gewone' leven begint zijn ze weer verdwenen.

In een koffiehuis trakteert koppelbaas Yoshio Nakashima vijf man op een ontbijt en legt tegelijkertijd uit waar ze die dag heen moeten. Rond zes uur stappen ze op en bestelt Nakashima een whisky. “Ik ga zo weer thuis verder slapen en kom vanavond terug om ze te betalen.” Dagelijks heeft Nakashima voor zo'n tien man werk waarvoor hij per persoon 30 gulden opstrijkt. Alleen deze klus geeft hem al een inkomen van zo'n 6.000 gulden per maand. Daarnaast heeft hij nog inkomsten uit andere bezigheden in de “bemiddelende sfeer”.

“Zonder steun van de yakuza (de Japanse mafia) kun je dit niet doen. Dit is hun terrein”, aldus Nakashima die dit werk al dertig jaar doet. Zelf zegt hij overigens geen deel van de yakuza uit te maken. Zijn mensen werken voor kleine onderaannemers in de bouw. “De grote bedrijven maken natuurlijk geen direct gebruik van ons”, aldus Nakashima. Het is het smerige en gevaarlijke werk dat deze mannen kunnen opknappen.

De mannen van Sanya hebben huis noch haard. Zolang ze het kunnen betalen wonen ze in een van de goedkope pensions in de buurt. De 'kamers' zijn met een standaardmaat van 2,5 meter bij 1,70 niet meer dan groot uitgevallen kasten. Er is geen meubilair en na het uitspreiden van de slaapmat blijft er vrijwel geen ruimte over. De prijs ligt rond de dertig gulden per nacht. Maar in de huidige recessie is het werk schaars en rest voor velen niets anders dan de straat of het geluk zoeken in een van de andere grote steden. Bijstand kent Japan niet.

Er lopen elke ochtend zo'n 5.000 man op zoek naar werk in Sanya. De pensions en eethuisjes hebben aan de dagloners goede klanten zolang ze werk hebben. Zodra ze dakloos worden zijn de meeste buurtbewoners niet meer van ze gediend. In een winkelstraat hebben de winkeliers het afgelopen jaar de overkapping van het trottoir afgebroken omdat daklozen er voor hun winkeldeuren beschutting zochten. De politie krijgt nu en dan klachten over daklozen die naast een lagere school bivakkeren. Op zoek naar beschutting hebben de daklozen zich de afgelopen drie jaar als een olievlek over Tokio verspreid. De overheid schat hun aantal op 3.300 maar volgens vrijwilligers moet het aantal hoger liggen.

Volgens koppelbaas Nakashima heeft werkloosheid echter niets met de economische crisis te maken. Zelf gebruikt hij elke dag dezelfde dagloners en het aantal is in de loop der jaren niet veranderd. Het hebben van werk heeft te maken met “gevoelens van mens tot mens” aldus Nahashima. De bazin van het koffiehuis valt hem bij. “Het is hun eigen probleem, een probleem hier van binnen”, zegt ze over de daklozen.

Juist door deze “gevoelens van mens tot mens” is de dakloze Umeda tien jaar eerder verraden. “Ik had een gezin, een baan en een droom als ieder ander”, zegt de 45-jarige Umeda. Hij was destijds chef-kok in een goedlopend restaurant en droomde van een eigen zaak. Tot die dag waarop het restaurant failliet ging door foute investeringen van de eigenaar.

“Ik had 25 man personeel onder me. Wat moest er van hen worden? Dat was de verantwoordelijkheid van de eigenaar, maar hij ging er vandoor zonder een hand uit te steken. Dus ben ík bij m'n collega's langsgegaan en heb het hoofd diep gebogen.” Umeda wist uiteindelijk iedereen aan een nieuwe baan te helpen. Maar hij was geschokt door het gedrag van de eigenaar aan wiens zaak hij z'n hart had gegeven. Nu had hij zich genoodzaakt gevoeld de verantwoordelijkheid op zich te nemen en was bij z'n collega's door het stof gekropen. “Ik was ontgoocheld en m'n droom was uit.”

In zijn ontgoocheling verbrak Umeda al zijn banden met de samenleving. Hij gaf zijn spaargeld en huis aan zijn vrouw en ging naar Sanya waar hij sinds tien jaar als dagloner leeft. Umeda: “Ook al zou ik weer een vaste baan willen, het kan niet want niemand zou voor mij garant willen staan.” Bij het afsluiten van elke overeenkomst in Japan is het noodzakelijk dat een derde persoon zich garant stelt. Dit geldt voor huurcontracten, arbeidsovereenkomsten, leningen en zelfs voor het inschrijven aan een universiteit. Zo dekt iedereen elkaar in een onontwarbaar web van vertrouwensrelaties. De mannen van Sanya zijn uit dit net gevallen en het is vrijwel onmogelijk voor ze om ooit weer naar de bovenwereld terug te keren.

De enige relatie die de dagloners rest is de band met de koppelbaas, hopend op zijn “menselijke gevoelens”. Maar Umeda heeft zelfs zo'n band niet en viel al snel af toen het werk de afgelopen jaren steeds spaarzamer werd. Zo'n drie keer per maand weet hij nog een klus te bemachtigen. Een jaar geleden kon hij zijn pension niet meer betalen. Hij woont nu in een zelfgebouwde tent op een klein speelterrein. Met een oliekacheltje probeert hij het nog zo aangenaam mogelijk te maken.

Op hetzelfde terrein woont Komada. Hij is 71 jaar en verdient z'n grijpstuivers op de ochtendmarkt in Sanya. Gezien z'n leeftijd zou hij een AOW-uitkering kunnen krijgen als hij een vast adres had. Maar hij wil niets te maken hebben met regelgevingen en verplichtingen. Gedreven praat hij over z'n hut die hij van plastic zeil en kartonnen buizen en dozen heeft gebouwd. “Kijk hier, dit heb ik een beetje kunstzinnig gedaan...”. Z'n gekromde rug verraadt een zwaar leven, maar hij wil er geen woord over loslaten. Daklozen in Tokio proberen met minieme middelen hun leven in stand te houden en bedelen niet. “Ik zal niets doen dat schande over de naam Umeda afroept”, zei Umeda bij het afscheid. Komada bezoekt zo mogelijk elke avond het badhuis. Wel weten ze precies waar ze elke dag een gratis maaltijd kunnen krijgen van een van de groepen vrijwilligers die zich het lot van de daklozen aantrekken.

Een zo'n groep is de vereniging Furusato. Op een middag staan acht man en vrouw al grappenmakend 250 rijstballen te kneden en grote ketels soep te koken in het appartement van Megumu Mizuta in Sanya. De gesprekken ontgaan Kyoo Suga, die consciëntieus zorgt dat alles goed loopt. Suga was vroeger een dakloos geworden dagloner maar is een jaar geleden door Mizuta in diens oude appartement opgenomen. Mizuta's leven is gewijd aan de daklozen en zijn deur staat permanent open. Het kleine twee-kamerappartement is gevuld met voedselvoorraden en materiaal van de vereniging en daartussen spreiden de twee 's nachts hun slaapmatten. Suga gaat geheel op in zijn nieuwe roeping als een soort manusje-van-alles van de vereniging. Zijn verleden wil hij laten rusten.

Mizuta: “De meeste dagloners komen van het platteland. Het zijn de jongere zonen voor wie geen werk meer was of de boeren die niet meer van hun kleine stukje land konden leven. Ze moesten hun geluk in de stad beproeven en voor de verliezers was er slechts Sanya.”

Om acht uur 's avonds staan buiten op de straathoek 150 mannen zwijgzaam in een rij te wachten. Met een gemompeld 'dankjewel' nemen ze de soep aan en verdwijnen weer in de nacht. Zonder uitzondering alleen.