Een schip-in-een-fles als nieuw beeldmerk

Alweer een ideetje, laatst in het lokale tv-nieuws van AT5. Van meneer Smit dit keer. Een schip van 30 bij 5 meter. En dan een enorme fles eromheen. Leggen we in het IJ. Met een gebouw ertegenover waar twee-, drieduizend mensen inpassen en waar opera's kunnen worden opgevoerd en wat al niet: “Er kan van alles met zo'n fles.”

Het geniale van zijn fles, zei Smit, is dat geen stad ter wereld er een heeft. Het ideetje moet 25 miljoen gulden kosten en een verzoek om steun is gedeponeerd bij de gemeente, zei de nieuwslezer. Gunst, denk je dan, wat heb je toch wonderlijke types in zo'n stad.

Reuze interessant plan, vindt wethouder E. Peer (economische zaken en toerisme). Hè? Amsterdam kan zoiets wel gebruiken. Echt? Ja, want wat hééft de stad nou? Huh? Parijs heeft de Eiffeltoren, Londen heeft de Tower Bridge, Amsterdam heeft niets. O. Wat grachten, ja, maar geen fles.

Het flesseplan van meneer Smit blijkt al een paar jaar oud te zijn en te appeleren aan een hartewens van VVV-directeur J. Moreu: een herkenbaar landmark voor de stad. Dus als een Amerikaanse film Europa in beeld brengt, dat je dan even de Eiffeltoren ziet, de Tower Bridge en een schip-in-een-fles. Grachten zijn te abstract voor dit doel.

Hoe openlijk moet je met je wanhoop te koop lopen? De hoofdstad is de afgelopen 25 jaar economisch weggezakt in vergelijking met de rest van Nederland en ook in vergelijking met andere landen van de Europese Unie. De economische basis van de stad is stabiel en dat is geen aanbeveling. Het spectaculaire succes van Schiphol (gemeente Haarlemmermeer) is de kurk waar de regio op drijft.

In de stad zelf is de economische groei gering en levert in elk geval geen banen op. Het aantal werklozen dat de gemeente tegen bodemsalarissen bombardeert tot straatopzichter, tramzitter of huizenwacht is veel groter dan het aantal dat zonder volledige subsidie aan het werk kan. Zelfs de enorme investeringen die het rijk doet in de infrastructuur in de regio, komen maar nauwelijks ten goede aan de bouwbedrijven in en om Amsterdam.

Ook de meest levendige sector, de zakelijke dienstverlening, lijkt zijn grenzen te hebben bereikt. Het is niet voor niets dat de Beurs heeft gedreigd de binnenstad te verlaten. De ruimte wordt te krap, de komst van een nieuwe metrolijn is onzeker en het parkeerbeleid van de gemeente is te streng voor kantoren. Als de Beurs inderdaad wegtrekt, zal veel werkgelegenheid mee verdwijnen uit de binnenstad.

Maar, schrijven de onderzoekers van Economie en arbeidsmarkt in de 'stadsprovincie Amsterdam' (1995) hoopvol: “Dat proces hoeft niet altijd door te gaan.” En zij bepleiten “stimulering van toerisme en winkelend publiek uit de omgeving”. De hoofdstad dreigt daarmee afhankelijk te worden van haar toeristen als Cuba van de suiker.

Na een alarmsignaal van de VVV een paar jaar geleden (Amsterdam dreigde minder populair te worden dan Boedapest!) heeft de gemeente onmiddellijk ingegrepen. Op toeristenhoogtijdagen is er plots wel celruimte om zakkenrollers en rovers op te sluiten. Voor toeristen wordt een science centre gebouwd, een passagiersterminal en nog weer een vijfsterrenhotel daarbij, terwijl de bezettingsgraad in deze prijsklasse nu al om te huilen is.

De (liefst wat rijkere) toeristen en dagjesmensen moeten worden gelokt met themajaren ('Amsterdam ziet ze vliegen', was het laatste plan), koopzondagen en nieuwe musea. Dat het college van B en W met de gedachte speelt om van een op zich interessante muurrest uit de dertiende eeuw een 'publiekstrekker' met attracties te maken, zegt genoeg.

De stad is rijp voor de fles van Smit.

    • Bas Blokker