Een schaduw van verschrikkingen rondom 'Anna'

Voorstelling: We noemen hem Anna door Hesp-theatermakers, vanaf 10 jaar. Tekst naar Peter Pohl: Katja Hieminga. Regie: Rob Vriens. Spel: Paul Disbergen, Thijs Feenstra, Richard Kühne e.a. Gezien: 3/2, Krakeling Amsterdam. Aldaar nog: 8/2. Inl 020-6929603.

Wanneer de veertienjarige Anders Roos arriveert in een zomerkamp vatten de jongens hun oordeel over zijn miezerige, meisjesachtige verschijning kort en dreigend samen: 'We noemen hem Anna'. De gelijknamige jeugdroman van de Zweed Peter Pohl geeft een haast onverdraaglijk precies verslag van een neerwaartse geweldspriraal, die eindigt in Anna's zelfgekozen dood. Er is sprake van intimidatie, mishandeling en groepsverkrachting en van verantwoordelijke volwassenen die het beter uitkomt niet te zien wat er zich onder hun ogen afspeelt. Thuis biedt een verknipte legerkapitein als vader zeker geen soelaas. Anna's enige houvast is Micke, de vier jaar oudere sportinstructeur, die vol aandacht en begrip is, maar wiens schouders uiteindelijk niet breed genoeg zijn om zo'n gruwelijke last zonder hulp van anderen te dragen.

Pohls boek is een woedende schreeuw om aandacht voor een probleem dat met name bestaat bij de gratie van de wegkijkers, de zwijgers en de ontkenners. Het aanhoudend bombardement van verschrikkingen maakt het lezen tot een schokkende ervaring, die zeker niet geschikt is voor de tienjarigen waarop de toneelversie zich richt. Het uur theater biedt dan ook niet meer dan een schaduw van 360 bladzijden literatuur, maar die schaduw is de schrijver zeker trouw en bezit voldoende impact om de toeschouwers aan hun stoel gekluisterd te houden.

Door het ontbreken van decor en belichting kan de voorstelling eenvoudig op scholen gespeeld worden. Over een brede, ondiepe vloerstrook aan de zijkant van de zaal lopen de vijf spelers in trainingspak gespannen en onrustig heen en weer, als wilde dieren in een kooi. Het levert een even simpel als doeltreffend beeld op voor de situatie waar ze met zijn allen in gevangen zitten. Wie even niets te doen heeft, zit terzijde.

Het publiek kijkt als naar een tenniswedstrijd en krijgt soms niet meer dan een pratende rug te zien. Dat komt de verstaanbaarheid niet ten goede, vooral wanneer de acteurs hun onaangename teksten zo snel en achteloos mogelijk uit de mond proberen te krijgen.

In hoog tempo wordt de tenenkrommende situatie geschetst. Waar nodig is iemand even de verteller, maar het verhaal wordt ons toch voornamelijk voorgespeeld. Drie van de acteurs zetten, met bijna niets, verbluffende dubbelrollen neer. Zo verandert de meest stiekeme treiteraar via een bril in de kwezelige kampleider en zorgt een parelketting op het trainingspak en een slappe trek om de mond dat daar ineens Anna's overbezorgde moeder rondwandelt. Anna en Micke zijn uitsluitend zichzelf en precies in hun rollen ligt de zwakte van de voorstelling.

Peter Pohl werkte de achtergrond, de drijfveren en de onderlinge verhouding van deze figuren zorgvuldig uit. Hij voorzag hun beider handelen van een diepte en voorzichtig homo-erotische kleuring die in de toneelbewerking geheel ontbreken.

Bovendien lijken de acteurs ook niet te beschikken over de middelen om hun personage meer dan een dimensie te geven. Anna toont voornamelijk schichtigheid en een vastgevroren glimlach, de neutrale aanwezigheid van Micke maakt hem als idool nauwelijks geloofwaardig.

Door de bleekheid van de twee hoofdpersonen en de overheersing van de flitsende bijrollen blijft het geheel té veel hangen in de benauwende anekdotiek van het mishandelde kind, zonder dat de voorstelling de gelaagdheid en de nuances weet te bereiken van de werkelijke tragedie waarin ze haar oorsprong vond.