Een gaatje!

Enige tijd geleden schreef Louise Fresco in de Wetenschapsbijlage van deze krant: “Een agenda is een onmisbaar statussymbool, of liever, een opzichtige demonstratie van onze identiteit. Wij trekken onze agenda's alsof het pistolen zijn, wapens in de eeuwige strijd tegen de Tijd. Toon mij uw agenda en ik zeg u wie u bent.”

Een agenda tonen? Ik ben nu 51 jaar oud en ik heb nog nooit een agenda gehad en God verhoede dat ik ooit zoiets onzinnigs zou aanschaffen. Maar al uw afspraken dan? Heel simpel: die onthoud ik. Waartoe zou het kunnen dienen dat ik een afspraak in één of ander lullig boekje zou noteren als zo'n afspraak, eenmaal door mij gemaakt, zonder mankeren door mijn geheugen wordt gereproduceerd als dat nodig is. Ook als 't een afspraak betreft voor over zes maanden. Ik vind 't gebruik van agenda's zo belachelijk, zo potsierlijk. De armzalige gewichtigdoenerij van al die agenda-bezitters! Aan het einde van een vergadering komt onvermijdelijk het moment waarop de volgende vergadering wordt afgesproken. 'Agenda's trekken', hoor je dan iemand breeduit zeggen. En warempel, daar komen zij te voorschijn, al die protserige, soms zelfs in leer gebonden boekjes. IJverig begint men te bladeren. Door één der aanwezigen wordt een datum gesuggereerd. Het zachte geritsel klinkt op van het omslaan der flinterdunne agenda-blaadjes. Zo'n geluid klonk vroeger ook op als de dominee een psalm opgaf en iedereen in zijn kerkboekje begon te zoeken. Het sacrale gedeelte der vergadering is begonnen! Gedurende enige tijd is men dan koortsachtig op zoek naar een dag waarop toevallig niemand nog iets 'heeft staan'. En passant passeren tientallen dagen waarop men wel iets 'heeft staan' en waarbij de deelnemers aan dit zoekspel tussen neus en lippen door van elkaar mogen vernemen welke belangrijke afspraken reeds gemaakt zijn. “Ik zal kijken of ik nog een gaatje heb”, hoor je iemand zeggen. En warempel, ja hoor, na eindeloos gedelibereer blijkt ten slotte iedereen op een bepaalde dag 'een gaatje' te hebben. Hoe wonderlijk om volwassenen tegen elkaar te horen opbieden dat zij 'toch nog een gaatje' hebben.

'Kun jij dan ook?' vraagt men mij. 'Ja', zeg ik dan. Iedereen zit mij stomverbaasd aan te kijken. Hoe kan iemand nu weten dat hij op een bepaalde dag vrij is als hij dat niet nakijkt in zijn agenda. Enfin, men spreekt af voor die bepaalde dag. Iedereen noteert dat zorgvuldig. Ik noteer niets. Dat vertrouwt men dan niet. Vaak vraagt men mij: “Moet je dat dan niet opschrijven?” Of men biedt mij een pen aan 'om de afspraak te noteren'. Waarin, waarop, waartoe zou ik dat moeten noteren? Je maakt zo'n afspraak en je onthoudt dat, zo eenvoudig is dat. Als je je afspraken niet meer onthouden kunt, maak je of veel te veel afspraken, of je oefent je geheugen veel te weinig. Of beide. Wat een toppunt van geheugen-zwakte, zo'n agenda! Zo'n boekje dat alleen dient om er reuze gewichtig mee te doen, om te pronken met afspraken, om te pronken met het feit dat men het 'enorm druk' heeft.

Dat een mens zonder agenda leeft, kunnen hedendaagse deelnemers aan de agenda-cultuur haast niet begrijpen. Ik heb al diverse theorieën mogen vernemen om de agenda-afwezigheid te verklaren. “Hij heeft maar heel weinig afspraken” is een vaak gehoorde verklaring. “Hij doet net alsof hij geen agenda heeft, maar na afloop van de vergadering schrijft hij 't stiekum op”, heb ik ook gehoord. “Hij laat zich een dag van te voren door één van ons verwittigen”, zei een Vlaming grijnzend.

“Hoe bestaat het, geen agenda?” hoor je vaak zeggen. En dan volgt de gewetensvraag. “Heb je dan nooit echt een afspraak vergeten?” Het antwoord daarop is: nog nooit. Wel heb ik - ik geef toe dat dat eigenlijk niet deugt - tweemaal in mijn leven het feit dat ik niet over een agenda beschik, gebruikt om onder vervelende afspraken uit te komen. Dan zei ik als men mij vroeg waarom ik niet was komen opdagen: “Helaas, ik schrijf m'n afspraken nooit op, en deze was mij ontschoten.” Zwak is het, dit temeer daar juist ellendige afspraken in mijn geheugen gegrift staan. Ik wou maar dat er mij af en toe iets ontschoot. Op dat punt kent mijn geheugen helaas geen genade.

Overigens hoef ik mij er niet op te laten voorstaan dat ik geen agenda bezit. Mijn buurman, Bertus, die boer is, heeft geen agenda, en zijn vrouw, Joke, net zo min. Bij gewone, echte, aardige, normale mensen is immers zelfs nog nooit het idee opgekomen dat je zoiets onzaligs zou kunnen bezitten.

    • Maarten ’t Hart