Een empiricus langs de weg

Hij is de enige in Nederland die zijn krant wekelijks teistert met drie, soms wel vier verschillende columns. Daarom staat hij inmiddels aan het hoofd van een - naar eigen zeggen rafelig - oeuvre van zo'n twintig boeken. Nog steeds is het plankje niet vol, dus volhardt hij tegen het klimmen der jaren in. Zijn bijtende oordelen over het maatschappelijk verval worden meestal in toom gehouden door ironie, maar soms wint de woede over de ploertenstreken het. De jaren van ergernis zijn dan ook niet ongemerkt aan hem voorbij gegaan. Inmiddels heeft hij een verweerde kop, maar zijn stijl is nog altijd rimpelloos.

Henk Hofland krijgt vandaag de Gouden Ganzeveer uitgereikt voor zijn oeuvre en bij wijze van klein eerbetoon is het goed om nog eens in te gaan op één van zijn grote onderwerpen: de auto. Van hem stamt de term 'autofascisme' en hoewel ik niet van het willekeurig gebruik van 'fascisme' houd om onbehagen uit te drukken, is die omschrijving nauwelijks overdreven. Althans, ik deel zijn diepe afkeer over de wereld van de vierwieler.

Natuurlijk heeft de cabaretier gelijk die over de paus en de anticonceptie zei: “Wie de sport niet beoefent, moet zich niet met de spelregels bemoeien.” Ik heb geen rijbewijs en zal nooit een auto bezitten. Zeker nadat ik onlangs als passagier met meer dan honderd kilometer ben geklutst tussen de vangrails van de A4, is mijn liefde voor de auto onder het nulpunt geraakt. De verplaatsing per fiets is de hoogste snelheid die ik als dromer kan verantwoorden jegens de samenleving. En toch bemoei ik me met de auto, want het grote verschil is: het vrijgedrag van de medeburger raakt me niet, zijn rijgedrag helaas wel.

Verzet tegen beweging wordt meestal gezien als een bewijs van achterlijkheid, toch verkeert onze laureaat in goed gezelschap. De grijze eminentie van Amerika, George Kennan, heeft niet lang geleden ongenadig uitgepakt over de auto: “De auto laat uiteenvallen wat de trein bijeen heeft gebracht. Het is de vijand van de geconcentreerde stad.” Terwijl rond de treinstations steden groeiden, doet met de auto de slaapstad zijn intrede.

Het automobiel houdt sowieso niet van leven. In de burgeroorlog die dagelijks op ons wegennet wordt uitgevochten, zijn sinds de bevrijding misschien wel evenveel slachtoffers gevallen als tijdens de bezetting. Vandaar de term 'autofascisme'. Een samenleving die al deze doden en verminkten in het verkeer aanvaardbaar acht is buiten zijn zinnen. Wie ooit de ontreddering van een verongelukt gezin op de snelweg heeft gezien, weet waarover het gaat.

Stille getuigen zijn er genoeg. De remsporen op de internationale wegen vertellen een treurig verhaal. Lang of kort, recht of slingerend, meestal eindigen ze te abrupt om gerust te stellen. Samen met alle uiteengerafelde banden, versplinterd glas en dode beesten zijn ze onderdeel geworden van het dagelijks leven op de weg. Niemand kijkt er meer van op.

Het automobiel, de zelfbeweger, is de concurrent op aarde van de onbewogen beweger. De auto is het zinnebeeld van ons vooruitgangsgeloof, dat vrijheid opvat als bewegingsvrijheid. Hoe groter de ruimte is die iemand tot zijn beschikking heeft, hoe meer hij er aanspraak op kan maken een individu te zijn. Hoe verder de verplaatsing reikt, hoe dieper de beschaving die iemand wordt toegedicht.

Er is geen harmonieuze verhouding tussen mens en auto mogelijk. De snelheid versmalt het bewustzijn en het pantser van ijzer verlaagt de morele drempel. De bestuurder voelt zich op een volle weg als een voet in een te nauwe schoen. Hij schreeuwt om lucht en is bereid zijn medeburgers de berm in te drukken, als het maar verlossing brengt. Het gesprek op de snelweg is een dialoog van middelvingers. Dat kan niet gezegd worden van het openbaar vervoer, waar reizigers in de ochtendspits gelaten schouder aan schouder staan.

De auto haalt net als de politiek het slechtste in de mens naar boven: fatale illusies over sturing. Niets is minder waar. Een moment van onoplettendheid en even later is men doende je uit een autowrak te zagen, tenminste als dat nog nodig is en het traumateam je niet met een tandenstoker uit de vangrail peutert. Achter het stuur gezeten heeft men zijn lot niet in handen.

We beleven dagelijks op onze wegen een 'totale mobilisatie': een onbehagelijk begrip dat de vernietigende kant van onze vredestijd goed beschrijft. De Duitse filosoof Sloterdijk gebruikt deze typering: “Minstens één van haar utopische plannen heeft de moderne maatschappij verwezenlijkt: de totale automobilisering. Omdat in de moderne tijd het zelf zonder zijn beweging helemaal niet denkbaar is, horen het ik en zijn automobiel metafysisch bij elkaar, als lichaam en ziel van dezelfde bewegingseenheid.”

Sommigen hebben hun hoop gevestigd op de file. De dagelijkse verstopping maakt duidelijk dat de roep om beweging zichzelf verslaat. Je zou denken dat er lering uit wordt getrokken. Helaas is dat nauwelijks het geval. Al die bleke forensen, trommelend met hun vingers op het werkeloze stuur: hoeveel agressie wordt daar niet opgepot, die er bij het avondeten weer uit moet. Men moet niet hopen op leergedrag door rampen. Elke nieuwe brug is een knieval voor de auto, maar wordt nog steeds met fanfare geopend.

Ik heb een foto van de straat waar ik woon uit de jaren vijftig. Het is een tafereel van onwerkelijke rust, zoiets als een autoloze zondag. Nu is mijn straat het rangeerterrein van de Albert Cuyp markt. Dagelijks kan ik aanschouwen wat een schuimende haat de zoektocht naar een parkeerplaats met zich meebrengt. Vermijdt de aanblik van de autobestuurder die na een kwartier vruchteloos zoeken iemand op een opengevallen plaats ziet glippen. Om maar te zwijgen over het volgepakte slachtoffer, dat niet weg kan omdat zijn auto wordt geblokkeerd door een andere. Minuten lang gaat hij aan de claxon hangen in de veronderstelling dat alleen de dader dat hoort.

Hofland schrijft: “Het verschil tussen het massagebruik van de auto en de middeleeuwse pest is dat de laatste door geen mens werd gewild en als een straf van God werd beschouwd, terwijl het massaal gedemocratiseerde autobezit wordt verdedigd als een zegen.” De auto en het eigen huis zijn de onaantastbare kern van onze democratie. Daarom leidt al die bewegingsvrijheid op de grond tot machteloosheid hogerop. Het woud van wijzers, lichten, borden, paaltjes en drempels dat de overheid heeft opgericht om de verkeersstroom te beheersen getuigt van wanhoop. Niemand heeft een overtuigend idee hoe de auto kan worden ingedamd. Gevraagd is zoiets als een moraal van de mobiliteit. Of is dat een onmogelijke combinatie en blijft alleen dwang over?

Henk Hofland heeft zichzelf ooit omschreven als een 'empiricus langs de weg': altijd noterend wat in zijn blikveld geraakt. Af en toe klaagt hij dat hij te veel ziet, dat zijn zintuigen overvoerd raken. Dat deze empiricus langs de weg veel auto's tegenkomt ligt in de aard van zijn opstelling. In ieder geval heeft hij er zo toe bijgedragen dat de zelfbeweger niet meer onweersproken heerst. Het alledaagse 'autofascisme' verdient eigenlijk een comité van waakzaamheid. Het vorige heeft ook niets uitgehaald, dat is dus geen argument om er niet aan te beginnen.