Dirigent sprint tussen zalen; Gergjev creëert dramatiek in opera en concert

Concert: Rotterdams Philharmonisch Orkest ol.v. Valery Gergjev. Programma: P.I. Tsjaikovski: Serenade; Vijfde symfonie. Gehoord: 2/2 Doelen Rotterdam. Concert: Radio Filharmonisch Orkest, Groot Omroepkoor en Koor Ned. Opera o.l.v. Valery Gergjev. Programma: G. Verdi: Aida. Gehoord: 3/2 Concertgebouw Amsterdam. Radio-uitz.: 10/2 19.30 uur Radio 4

Gergjev is in maart terug voor concerten met het Rotterdams Philharmonisch Orkest en voorstellingen van de Kirov Opera in het AT&T Theater in Den Haag: De speler van Prokofjev en Prins Igor van Borodin.

Zoals we inmiddels van hem gewend zijn sprintte Valery Gergjev het afgelopen weekeinde tussen de Nederlandse concertzalen. Vrijdagavond dirigeerde hij in de Rotterdamse Doelen het Rotterdams Philharmonisch Orkest in een fraai geprogrammeerd Tsjaikovski-concert; zaterdagmiddag leidde hij in de Matinee een enerverende concertante uitvoering van Verdi's Aida met solisten van zijn Petersburgse Kirov Opera; zondagmiddag herhaalde hij het Tsjaikovski-concert in Rotterdam en zondagavond herhaalde hij de Aida in het Utrechtse Vredenburg. Tijdens de voorbereidingen vorige week trad Gergjev ook nog op in Milaan, zodat het geen wonder was dat hij aan het eind van de generale repetitie van de Aida bijna in slaap viel. Het is een van de schaarse bewijzen dat zelfs Gergjev, voor wie dirigeren een obsessie lijkt te zijn geworden, niet alles aankan.

Het instrumentale deel van de Aida van Gergjev, het Radio Filharmonisch Orkest, het Groot Omroepkoor en het Koor van de Nederlandse Opera, kenmerkte zich door extremen in dynamiek: van een mysterieus pianissimo in de ouverture, met een dreigende stilte rond een doffe paukenslag tot een reusachtig tetterende Triomfmars.

Maar veel indrukwekkender was nog de ongelooflijke spanning die Gergjev wist op te bouwen. Al mislukte het twee keer na instrumentale climaxen, voor het overige slaagde Gergjev erin om tussentijds applaus te voorkomen. Zelden zal er een Aida hebben geklonken zonder bijval voor aria's als Celeste Aida, Ritorna vincitor! en O patria mia. Gergjev, die in Rotterdam al eens een fantastische Otello en in Amsterdam een indrukwekkend Requiem dirigeerde en in september in Ahoy' een concertante Don Carlo leidt, mag een ideale Verdi-dirigent worden genoemd.

De imponerende hoeveelheid dramatiek die dirigent, orkest en koren produceerden werd helaas niet gecompleteerd door een gelijk niveau van de solisten in de hoofdrollen: geweldige zangers, maar niet echt op hun plaats in een Verdi-opera. Galina Gortsjakova kan met enorm oplaaiende kracht de hoogste noten zingen, zodat ze ook in fortissimo-tutti-passages boven alles en iedereen is te horen, maar in de lagere registers ontbeert ze typisch Italiaanse dramatiek en draagkracht. Ze is in haar jurk met Traviata-decolleté geen sensuele zuidelijke vrouw, maar eerder een struis èn kuis prinsesje.

Het slotduet van Galina Gortsjakova en Vladimir Bogatsjov was een vaak onzuiver tegen elkaar opbieden in volume, niet het ontroerende exposé van verstervende pianissimi dat Verdi hier beoogde. Bogatsjov, die nu in Brussel de titelrol in Moesorgski's Chovanstsjina zingt en in het Holland Festival bij de Nederlandse Opera de titelrol in Otello vervult, verving de zieke Gegam Grigorian, die in het Italiaanse repertoire beschikt over een veel zuiverder stijlgevoel. Bogatsjov was nu een op presteren gerichte tenor: veel fortissimo, geen pianissimo, maar wel met een prachtige lyrische noot op 'fior' in Celeste Aida.

Olga Borodina bleek als Amneris een erg lichte mezzo, die pas in de laatste acte indruk maakte. Zo bleken dus de vele kleine rollen eigenlijk relatief beter bezet dan de hoofdrollen. Opvallende prestaties leverden Lia Shevtsova (priesteres) en Nikolai Putilin (Amonasro).

Het Tsjaikovski-concert dat Gergjev met het Rotterdams Philharmonisch Orkest gaf was als geheel veel consistenter. De vierdelige Serenade voor strijkers klonk hier niet zoals gebruikelijk met licht-zwijmelende esthetiserende elegantie maar als een soort symfonie met een stevige, af en toe zelfs fors opgeschroefde dramatiek.

De heftige accenten in de zelfs ziedend getourmenteerde Sonatine hadden hun complement in de soms bijna stilstaande Elegie, die hier klonk als een voorloper van Schönbergs Verklärte Nacht. Daarna beleefde men de Vijfde symfonie als een uitvergroting van de Serenade en als een voorafschaduwing van de catastrofe in Tsjaikovski's Zesde symfonie, de 'Pathétique'.

    • Kasper Jansen