De nobele kunst van het doseren

Wat is er mooier dan een veteraan die na tien jaar zijn begeerde wereldtitel in de wacht sleept? Adri van der Poel (36) werd wel eens uitgelachen om al zijn zilveren medailles, maar in het Franse Montreuil bewees de schoonzoon van Raymond Poulidor dat de bijnaam Poupou of eeuwige tweede niet op hem van toepassing is.

Luca Bramati en Daniele Pontoni dansten op hun fietsjes. Ze zouden die lange, bleke Hollandse slungel in de tang nemen, dat kon je zo zien. De stijlvolle veldrijders uit Italië hadden misschien niet de sterkste benen, maar ze hadden een numeriek overwicht dat in de wielersport meestal beslissend is. Twee Italianen, ja, dan weet je het wel.

Adri van der Poel sleurde zijn fiets door de modder en leek een ongelijke strijd aan te gaan. Zijn tong hing uit zijn mond, het spuug druppelde langs zijn lippen. Van der Poel had af en toe hulp van zijn maatje Richard Groenendaal, maar in de laatste ronde stond hij er helemaal alleen voor. Hij reed op kop, op hoop van zegen. Hij duwde steeds harder tegen zijn pedalen en maakte duidelijk dat stijl en overwicht niet altijd opwegen tegen kracht en karakter.

Zelden heeft een wielrenner mooier gejuicht dan Van der Poel gistermiddag. De rimpels op zijn voorhoofd zorgden voor een grimas die het midden hield tussen lachen en huilen. De mond stond wijd open, de ogen tot tranen geroerd. Natuurlijk nam hij zijn zoontje Mathieu in de armen, de fotografen haalden opgelucht adem. En de journalisten wisten dat hun verhaal bijna te mooi was om op te schrijven. Een boerenzoon van 36 jaar, die op zijn tiende wereldkampioenschap veldrijden presteerde wat hij de voorgaande negen edities net niet had bewerkstelligd.

“De andere keren was ik 99 procent, vandaag was ik 101 procent. Ik had een superdag en heb geen pech gehad. Ik was heel ontspannen, veel meer dan anders. Daaruit kun je afleiden dat al die tweede plaatsen geen obsessie waren geworden. Als je nerveus bent verlies je aan kracht. Maar voor hetzelfde geld word je weer tweede. En dan heb je het niet slecht gedaan. Dan was ik toch tevreden geweest. Er komt natuurlijk altijd geluk bij kijken.”

De stijgende vorm had zich de laatste weken aangekondigd. De oude ledematen hadden moeite te herstellen, na de rugpijn en de griepaanval van afgelopen zomer. Drie maanden blessures betekent drie maanden recupereren, luidt een wielerwet voor oudere coureurs. Vanaf januari werden de benen weer soepel en vertoonden de resultaten van Van der Poel een opwaartse lijn. Hij won enkele internationale veldritten en maakte duidelijk dat de jonge garde hem nog niet mocht afschrijven. Heel langzaam herwon hij het vertrouwen.

“Als je slecht rijdt, denk je aan goed rijden. Als je goed rijdt, denk je aan koersen winnen. En pas als je koersen wint, denk je aan de wereldtitel.” Van der Poel kreeg de afgelopen maand moraal en moraal is alles voor een renner. “Ik voel me beter dan ik me ooit heb gevoeld”, vertelde hij vorige week. Hij voelde zich zo sterk dat hij gisteren voor de start gezellig stond te keuvelen met enkele Franse collega's. Daar stond de routinier die het allemaal al eens had meegemaakt, klaar om toe te slaan.

Hij reed met de toewijding die hem al jaren kenmerkt. Weinig coureurs zijn zo verknocht aan hun vak als Van der Poel. Hij stond bekend als de man die elke dag urenlang aan het trainen was. Pas toen hij drie jaar geleden in Italiaanse dienst kwam bij Mercatone Uno, merkte de bezetene dat zijn inspanningen ook een averechts effect konden sorteren. Al die kilometers, door weer en wind, is volgens de Italiaanse wetenschappers nergens goed voor. Op 33-jarige leeftijd ontdekte Van der Poel eindelijk de zin van uitrusten. Eindelijk verstond hij de kunst van het doseren. Misschien is het niet toevallig dat hij in zijn nadagen de wereldtitel in de wacht sleept. Hij is niet meer geobsedeerd door de koers en kan de wielersport beter relativeren. “Vertrouwen komt met de jaren, denk ik.”

De moraal was eerder deze week tot uiting gekomen in het rennerskwartier. Toen de ploegbespreking ter sprake kwam verklaarde Van der Poel voor zijn eigen kansen te rijden. Zijn teamgenoot Groenendaal voelde zich benadeeld en uitte kritiek in de media. De eerste wielerrel van dit seizoen leek geboren. Of was het de opgeklopte spanning die twee individualistische topsporters tijdelijk uit elkaar dreef? Het kibbelende tweetal werd zaterdagavond in het hotel tot de orde geroepen door Jan Raas, die als directeur-sportief van de Raboploeg in Parijs aanwezig was.

Tijdens de wedstrijd bleek weinig van een onderlinge vete. Van der Poel hield de benen stil wanneer Groenendaal demarreerde en andersom. Pas in de laatste ronde moest de nummer twee van de afgelopen twee WK's afhaken. Na afloop reed Groenendaal onmiddellijk naar zijn kopman, die de geste op waarde schatte. Hij gaf Groenendaal een joviale klap tegen de pothelm.

“We hebben in de koers weinig tegen elkaar gezegd, maar een blik is voldoende. Ik heb echt wel gezien dat hij in de remmen kneep toen ik wegsprong. Ik reed in eerste instantie voor mezelf, want ik ben professional. Maar ik was echt niet te beroerd om aan het ploegbelang te denken. Mensen die mij kennen weten dat ik zo in elkaar steek.

“Achteraf is alle commotie een beetje overdreven geweest. Ik ben niet iemand die moeilijkheden zoekt, al kom ik soms misschien wel egoïstisch over. Ik heb niets tegen Richard, ook niet na wat hij over mij heeft gezegd. Voor mij blijft hij dezelfde persoon. Ik hoef geen grote fan van hem te zijn om hem te waarderen als wielrenner. Het lijkt me leuk om hem in de toekomst te begeleiden.”

Als Van der Poel over de toekomst praat, vraagt hij een andere uiteenzetting. Wanneer zet hij de fiets aan de kant? Voor de centen hoeft de miljonair niet meer door te zwoegen. Hij behoort tot de wielergeneratie die veel geld heeft verdiend, veel meer dan zijn voorgangers als Raas en Knetemann. Hij heeft de vruchten geplukt van de bloeiperiode in de jaren zeventig.

Voordat hij afgelopen najaar bij de Raboploeg tekende, reed Van der Poel voor negen verschillende sponsors. Vrijwel elk jaar kreeg hij een verbeterd contract voor zijn neus geduwd. In het belastingvriendelijke Belgische dorp Kapellen kan de nieuwe wereldkampioen op zijn lauweren rusten. Hij voelt zich niet verplicht.

“Zolang ik plezier in het fietsen houd, denk ik nog niet aan stoppen. Ik bekijk het van jaar tot jaar. Volgend jaar is er weer een WK. En over een paar maanden is Parijs-Roubaix, ook een mooie wedstrijd die ik graag een keer zou willen winnen. Na het voorjaar ga ik het een beetje rustig aandoen. Ik wil goed uitgerust aan het winterseizoen beginnen. Ik wil mijn regenboogtrui nog laten zien.”

    • Jaap Bloembergen