BOILED CIDER PIE II

Dit is een blonde versie van de boeren pie uit New England gevuld met boiled cider (zie NRC 22 januari), die ditmaal wordt nagemaakt met diksap. Wie geen tijd heeft om de benodigde gedroogde appeltjes te weken, vervangt ze door 2 geschilde cox orange pippin appels, elk in 16 dunne partjes gesneden.

Voor een pievorm van 20-22 cm doorsnede:

150 gram gedroogde appeltjes

2 deciliter diksap

2 eetlepels citroensap

1 eetlepel boter

zout

3 eetlepels maïzena

1 ei, losgeklopt

350 gram piedeeg (zie grote gemakstruc II in NRC 29 januari)

suiker

Week de appeltjes 6-8 uur in 5 deciter water. Laat ze uitlekken en bewaar het resterende weekvocht. Halveer de partjes overlangs zodat tamelijk dunne schijfjes worden verkregen. Verwarm het diksap met 3 dl van het resterende weekvocht, het citroensap, de boter en een snufje zout al roerend tot de boter gesmolten is. Roer de maïzena met 4 eetlepels van het resterende weekvocht tot een papje en klop dit door het diksapmengsel. Breng het al roerend tegen de kook aan tot een enigszins gebonden vloeistof is verkregen. Laat de goudgele vloeistof afkoelen en roer het ei erdoor. Neem de reeds met piedeeg beklede vorm uit de ijskast en leg de appelschijfjes naast elkaar in concentrische cirkels op het deeg. Giet de appelvloeistof over de appeltjes; de appeltjes mogen niet gaan drijven. Bak de pie circa 40 minuten in een voorverwarmde (225ß8 C) oven en verlaag tegen het einde van de baktijd de temperatuur tot 200ß8 C, afhankelijk van de kleur van het deeg. Bestrooi de taart dun met suiker en zet haar nog even onder een hete grill zodat de suiker karameliseert. Deze blonde boiled cider pie is het lekkerst al ze lauw wordt gegeten; maar koud is ze ook verrukkelijk.

    • Florine Boucher