Bestuurlijke en financiële chaos bij vereniging psychiatrie

UTRECHT, 5 FEBR. De Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (NVP) verkeert in een bestuurlijke en financiële crisis. Het voltallige bestuur is vorige week afgetreden, nadat de ledenvergadering een voor het bestuur negatief onderzoeksrapport van drie leden van de vereniging had aanvaard.

In het rapport wordt gesteld dat het bestuur in gebreke is gebleven bij het toezicht op de handelwijze van de ex-penningmeester. Deze heeft vierenhalf jaar lang in gedeelten leningen opgenomen bij de vereniging voor in totaal 650.000 gulden.

De vereniging verkeert nu in een precaire financiële situatie. De reserves zijn vrijwel uitgeput. De raadsman van de vereniging, E. Vilé, onderhandelt over een afbetalingsregeling. Vilé spreekt van “redelijke vooruitzichten” als het gaat om de kans dat het bedrag op de wat langere termijn kan worden teruggevorderd.

De ex-penningmeester leende vanaf 1991 regelmatig geld van de vereniging, met medeweten van de andere bestuursleden. De psychiater stelde zelf de rente vast. De leningen werden ook vermeld in de jaarrekeningen, maar ze waren niemand van de leden van de vereniging opgevallen. “Het karakter van de vereniging brengt met zich mee dat de leden meer oog hebben gehad voor de wetenschappelijke aspecten dan voor de financiën van de vereniging”, aldus Vilé.

Het bestuur had in 1994 met de penningmeester afgesproken dat hij geen geld meer zou opnemen en een begin zou maken met terugbetaling. Toen een jaar later bleek dat hij zich niet aan deze afspraken had gehouden, moest hij vertrekken en schakelde het bestuur een raadsman in. Volgens Vilé heeft de psychiater verklaard persoonlijke financiële problemen te hebben gehad.

De NVP, aangesloten bij de artsenorganisatie KNMG, stelt zich ten doel de wetenschappelijke belangen van de psychiatrie te behartigen. De vereniging telt 1.900 leden en organiseert onder meer wetenschappelijke congressen. Voorzitter van de NVP was de Nijmeegse hoogleraar F. Zitman. Het bestuur wordt voorlopig gevormd door de onderzoekscommissie van drie mensen, die onder leiding stond van de Harderwijkse zenuwarts P. de Groot.